Leven in het licht van oneindigheid

William Wordsworth - The Prelude

 

Poetry is the image
of man and nature.


William Wordsworth, 
Lyrical Ballads
 




        Overzicht
  Wordsworth-pagina's



to muse
peinzen
fair
mooi

train
reeks, serie























alder shades
schaduw van elzen
fords and shallows
doorwaadbare plaatsen en ondiepten




rill
stroompje
mill-race
een afgescheiden stroompje
severed
gescheiden
coursed
rende
groves
bosjes
yellow grunsel
gele begroeing
crag
rots
wantonness
baldadigheid
to sport
spelen, rennen




















ere
voordat
to snap
afbreken
woodcock
houtsnip
turf
veen(grond)
springes
strikken
fell
kale heuvel
scudding
rennend, vliegend
visitation
inspectie



























latch
grendel
vernal thrush
lentelijster
jutting 
uitstekend, overhangend
eminence
heuvel









Literatuur


Our destiny, our being's heart and home,
Is with infinitude, and only there.  
              The Prelude VI (1850), 604-605  

William Wordsworth (1770-1850) is een romantisch dichter wiens pozie n grote lofzang is op de natuur. Aldus het clich. In Engeland kan - of kon - elke scholier strofen citeren uit zijn Daffodils, misschien wel het bekendste gedicht uit de Engelse literatuur. Het blijven mooie regels, over narcissen aan de oever van een meer die dansen op het ritme van de wind. Maar Wordsworth is veel meer dan de schrijver van prachtige natuurlyriek. Met zijn pozie probeerde hij de essentie van de werkelijkheid bloot te leggen, de samenhang te tonen van alle verschijnselen, en de plaats te duiden van de mens in de wereld die hem omringt. Nature, Man and Society, dat was zijn grote onderwerp, zei hij zelf. Of, zoals hij het een andere keer formuleerde:  

On Man, on Nature, and on Human Life,
Musing in sollitude, I oft perceive
Fair trains of imagery before me rise (...) 
       Home at Grasmere, 754-756

Veertien boeken
Het bekendste werk van Wordsworth is The Prelude, een gedicht dat zich uitstrekt over veertien 'boeken' van bij elkaar bijna negenduizend regels. Die omvang had hij nodig om te onderzoeken waar de fundamenten lagen van zijn potisch wereldbeeld en hoe zijn ideen zich in de loop van de jaren hadden ontwikkeld. Hij gaf het werk dan ook de ondertitel Growth of a Poet's Mind. Centraal staan jeugdherinneringen die diepe indruk op hem hadden gemaakt. Zo diep dat ze niet alleen grote invloed hadden op zijn persoonlijkheid en latere dichterschap. Zij hebben ook vorm gegeven aan een wereldbeeld dat het gewone en alledaagse stelt in het licht van het eeuwige en oneindige. In dat opzicht is Wordsworth's pozie sterk filosofisch getint. Maar die filosofie vormt de onderstroom. Aan het oppervlak schittert een prachtige potische taal, rijk aan concrete beelden. Wordsworth is tenslotte allereerst dichter en geen filosoof in de gebruikelijke zin van het woord. Hij drukt zijn visie op de werkelijkheid niet uit in logisch-discursieve taal, maar in 'fair trains of imagery', in heldere, waarheidsgetrouwe beelden. En ja, die beelden zijn veelal ontleend aan natuur en landschap, vooral die van het Engelse Lake District. 

Lange zomerdagen
De beste toegang tot de denkwereld van Wordsworth vormen de genoemde jeugdherinneringen in The Prelude. En van de vroegste betreft een tafereel in de achtertuin van zijn ouderlijk huis. Die tuin grensde aan de rivier de Derwent, 'a Playmate whom we dearly loved'. Deze rivier had er plezier in 

To blend his murmers with my Nurse's song,

And from his alder shades and rocky falls,
And from his fords and shallows, sent a voice
That flowed along my dreams. Vertaling          The Prelude I (1805), 273-276

Bij de Derwent speelde Wordsworth als kleuter lange zomer-dagen. Hij rende er over de velden en 'door zeen van gele margrieten' of 'stond stil onder de hemel' terwijl de berg Skiddaw daarachter 'baadde in stralen van koperkleurig licht'.

Oh! many a time have I, a five years' Child,
A naked Boy, in one delightful Rill,
A little Mill-race severed from his stream,
Made one long bathing of a summer's day,
Basked in the sun, and plunged, and basked again
Alternate all a summer's day, or coursed
Over the sandy fields, leaping through groves
Of yellow grunsel, or when crag and hill,
The woods, and distant Skiddaw's lofty height,
Were bronzed with a deep radiance, stood alone
Beneath the sky, as if I had been born
On Indian Plains, and from my Mother's hut
Had run abroad in wantonness, to sport,
A naked Savage, in the thunder shower.      The Prelude I (1805), 291-304

Wie herinnert zich niet scnes als deze uit zijn eigen jeugd? De intensiteit van de oorspronkelijke ervaring heeft ze voor altijd in ons geheugen gegrift. Het zijn de plekken in de tijd die blijven oplichten in het donkere woud van vergeten voorvallen. Maar bij Wordsworth krijgt het zomerse kinderspel bij de rivier een extra dimensie, de glans van een universele, bijna religieuze ervaring, van een doop in water en stralend zonlicht, in de geborgenheid van een alomvattende natuur. Misschien gaat dit te ver voor wie deze regels leest, zo buiten hun verband. Laten we daarom kijken naar de context.   

Spots of time
Wordsworth noemde de sleutelmomenten uit zijn jeugd spots of time. Daarvan zijn er in The Prelude een kleine twintig te vinden, zoals het verhaal hoe hij als jongetje in de lente - 'als op de zuidelijke helling de zon de sleutelbloem deed bloeien en voor het eerst weer de bossen in het dal verwarmde' - eropuit trok om ravennesten leeg te roven. Hij hing dan, alleen en hoog, aan een gladde bergwand om de eieren weg te kapen. Zijn enige houvast en steunpunt waren een graspol en een smalle scheur in de rots. De wind waaide hard en drukte hem tegen de helling met een vreemd onaards geluid. De wereld stond op zijn kop. Even leek hemel aarde en aarde hemel. De wolken vlogen razendsnel voorbij.

Wat opvalt, is dat Wordsworth in de beschrijving van de meeste spots of time benadrukt dat hij de ervaring alleen onderging. Bij de Derwent stond hij 'alleen onder de hemel'. Aan de smalle richel, reikend naar de eieren in het ravennest, 'hing ik alleen', zo schrijft hij. 'Ik was alleen' staat ook te lezen in het verhaal over zijn nachtelijke strooptochten in de heuvels.

'Twas at an early age, ere I had seen
Nine summers, when upon the mountain slope
The frost, and breath of frosty wind had snapped
The last autumnal crocus, 'twas my joy
To wander half the night among the Cliffs
And the smooth Hollows where the woodcocks ran
Along the open turf. In thought and wish
That time, my shoulder all with springes hung,

I was a fell destroyer. On the heights
Scudding away from snare to snare, I plied
My anxious visitation, hurrying on,
Still hurrying, hurrying onward; moon and stars
Were shining over my head; I was alone,
And seemed to be a trouble to the peace
That was among them.                                 The Prelude I (1805), 310-324

Zelfs tijdens de avonturen die hij samen met zijn vriendjes beleefde, onderging hij het moment waarop de natuurlijke omgeving hem als het ware opslokte, in eenzaamheid. In de winter ging hij vaak - na het vallen van de avond - schaatsen op het meer. Hij speelde dan met zijn makkers op het ijs de jachtpartijen van volwassenen na. En van hen was de haas, de anderen joegen achter hem aan met 'trompetgeschal' en het geluid van 'blaffende honden'. Hun stemmen 'weerkaatsten tegen de rotsen'. Al het tumult 'weerklonk uit de heuvels met een zweem van melancholie'. Maar dan verliet hij na enige tijd 'het kabaal' en de 'rumoerige meute', zocht een stille kreek op en reed over 'de weerschijn van een ster die glinsterde op het ijs'. Dan remde hij, stond stil en keek, tot alles rustig was 'als (in) een droomloze slaap'.

Vroeg op pad
De jonge Wordsworth had de gewoonte 's morgens in alle vroegte op pad te gaan, voordat - om half zeven in de zomer, half acht de winter - school begon. Vaak had hij gezelschap van zijn boezemvriendje.

                                        My morning walks
Were early: oft, before the hours of school
I travelled round our little lake, five miles
Of pleasant wandering. Happy time! more dear
For this, that one was by my side, a friend
Then passionately loved.                            
The Prelude II (1850), 329-334

Maar Wordsworth maakte zijn ochtendlijke rondje om het meer ook vaak alleen, en ng vroeger - bij het opkomen van de zon.

Nor seldom did I lift our cottage latch
Far earlier and before the vernal thrush
Was audible, among the hills I sate
Alone upon some jutting eminence
At the first hour of morning, when the vale
Lay quiet in an utter solitude.
                          The Prelude II (1805), 359-364

Op zulke momenten versmolt de werkelijkheid buiten hem met een innerlijke werkelijkheid; het landschap dat hij vr zich zag, leek dan n met het landschap (of het uitzicht: 'prospect') dat hij zich dacht of droomde. Binnen- en buitenwereld vielen samen.

Oft in these moments such a holy calm
Did overspread my soul that I forgot
That I had bodily eyes, and what I saw
Appeared like something in myself, a dream,
A prospect in my mind.
                                     The Prelude II (1805), 367-371

Wordsworth waagt zich er niet aan precies te verklaren hoe het wijdse, stille landschap op hem inwerkte. Het zou te veel woorden vergen, als hij ze al zou kunnen vinden. Maar hij geeft wel aan wat al die indrukken volgens hem teweeg brachten. 

                                               'Twere long to tell
What spring and autumn, what the winter snows,
and what the summer shade, what day and night,
The evening and the morning, what my dreams
And what my waking thoughts, supplied to nurse
That spirit of religious love in which
I walked with Nature.                                   
The Prelude II (1805), 371-377

Wordsworth liep dus niet alleen in de natuur, hij liep ook met de natuur. Met die natuur voelde hij in zijn jeugd, zoals hij zegt, een innige religieuze verbondenheid.


naar boven

I heard low breathings coming after me