Als de vogelwig krijsend langs
de hemel trekt

Over de schoonheid van het eenvoudige en onvolmaakte

 

 

Haiku toont ons wat we altijd al wisten, maar waarvan we niet wisten dat we het al wisten.

R.H. Blyth

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Literatuur

l(a

le
af
fa

ll

s)
one
l

iness

Een regel die druipt als kaarsvet? Door elkaar gehaspelde tekst? Nee. Dit is een Engels gedicht, geschreven door
e.e. cummings, precies zoals het hier is weergegeven. Een blad valt, staat er tussen de haakjes. Het ene woord buiten de haakjes benoemt het gevoel dat het gevolg is. Eenzaamheid. Door de woorden zo te rangschikken, benadrukt de dichter wat verborgen was gebleven als hij de regels netjes naast elkaar had gezet. Het geïsoleerde woord 'one' toont een positief aspect van het begrip eenzaamheid, namelijk het gevoel van eenheid, van één-zijn met de omgeving dat het herfstige natuurverschijnsel oproept. Dit effect van een(zaam)heid, zoals je het woord in het Nederlands zou kunnen lezen, wordt nog versterkt door de losstaande letter 'l' in de eerste en in de één na laatste regel. Die kun je ook lezen als het cijfer '1'. Daarnaast geeft de verticale opstelling van de regel het vallen van herfstblad weer. Hier heeft de vorm dus in meerdere opzichten invloed op de betekenis. Je kunt daarom niet zeggen dat deze rechtop staande regel zich net zo goed horizontaal laat schrijven (a leaf falls / loneliness).

Wabi-sabi
Dit gedicht 'l(a' van e.e. cummings wordt gezien als één van de beste 'moderne' Engelstalige haiku. Dat komt omdat de dichter op originele wijze een procédé toepast dat heel dicht in de buurt komt van de techniek die Japanse haikudichters gebruiken. Allereerst is daar de beknoptheid van een complete observatie in slechts enkele lettergrepen. Bovendien is die observatie vervat in een concreet beeld. Verder verwijst het gedicht naar één van de jaargetijden, iets wat een haiku vrijwel altijd doet, impliciet of expliciet. Gesteund door deze elementen geeft het beeld van het vallende herfstblad het gedicht ook een sfeer die in de Japanse literaire traditie bekend staat als wabi-sabi.

Het begrip wabi staat voor de pretentieloze schoonheid en waarheid van het eenvoudige. Het verwijst naar de bekoring van het onvolmaakte, van alles wat gladde perfectie mist. Wabi is wat waarde heeft omdat het weerloos is, om met Lucebert te spreken. Een veel gebruikte theepot met een deuk. Een vogel in een dode boom. En, ja, een herfstblad dat omlaag dwarrelt van een boomtak.

Het tweede woorddeel - sabi - betekent letterlijk 'roest' en verwijst naar zaken die zijn getekend door het patina van de tijd. Daarmee suggereert dit begrip een sfeer van eenzaamheid, het is immers de tijd die in zijn voortgang de dingen van elkaar scheidt. Maar deze eenzaamheid heeft de dubbele betekenis van alleen-zijn en van één-zijn, dat wil zeggen van een(zaam)heid met het tijdloze dat zich in het tijdelijke manifesteert.

De woorden wabi en sabi geven samen uitdrukking aan een gevoel voor de schoonheid van het simpele, onooglijke, onvolmaakte, verweerde en verwaarloosde dat meestal over het hoofd wordt gezien. Wabi-sabi staat diametraal tegenover de wereld van glamour, hype en beleveniseconomie.

wit boomskelet -
in top vlagt een aalscholver
voor de ochtendbries

Deze haiku is wabi-sabi door het onopgesmukte beeld van de solitaire witte boom met de even solitaire zwarte vogel. Beide kleuren - zwart en wit - horen bij de dood, net als het beeld van de kale afgestorven takken. De zwartgejaste aalscholver doet ook denken aan een doodgraver. Dit korte gedicht voldoet nog aan een ander haikucriterium. De eerste en de derde regel bevatten twee contrasterende beelden. De tweede regel bereidt deze tegenstelling voor. Zo wordt hier de dood in de eerste regel, via bemiddeling van de optimistisch vlaggende vogel in de tweede regel, gevolgd door de ochtendbries: een verschijnsel dat duidt op het begin van de dag, op de aanvang van nieuw leven na de donkere nacht. De derde regel zet de hele scène in een ander perspectief. Daarnaast bevat deze regel een 'seizoenwoord': het woord 'bries' wordt in de Japanse haikutraditie geassocieerd met de vroege zomer. Met zo'n woord verwijzen naar het cyclische verloop van het jaar en het leven is ook een kenmerk van haiku.

Direct wijzen
Een rechtstreekse weergave van de werkelijkheid. Direct wijzen zonder de bemiddeling van begrippen, zonder de begoocheling van abstracties, projecties en concepten. Dat is wat haiku probeert te bereiken. Ze doet dat met minimaal woordgebruik en maximale beeldkracht. Haiku geeft geen mening, poneert geen stelling, analyseert niet, argumenteert niet. Er is geen sprake van expliciete gevoelsuitstorting. Haiku vertelt niet wat de lezer moet denken en voelen. Ze verbindt in een momentopname de natuurlijke realiteit met de menselijke ervaring. Via een concreet beeld presenteert haiku 'het ding' zoals het is in al zijn 'zo-zijn'. Met andere woorden: haiku onthult de werkelijkheid of waarheid van de natuur. 'Natuur' dan als verzameling van levende wezens en levenloze dingen én als het wezen of de aard van de verschijnselen.

Het beeld dat haiku schept, is vaak net zo simpel als de gebeurtenis die ze beschrijft. Door deze eenvoud lijken haiku op het eerste gezicht vaak open deuren, nietszeggend, incompleet. Roepen ze de reactie op 'Nou en, is dat alles?' Bij nader inzicht blijken ze dikwijls vol suggestie. Duiden ze op een diep intuïtief begrip van de eenheid der dingen, van de verbondenheid tussen binnen- en buitenwereld, tussen de waarnemer en het waargenomene, tussen het individu (het subject) en het andere (het object).

Zen
Haiku past naadloos in de traditie van Zen. Deze geestesrichting probeert te reiken voorbij de woorden en begrippen die ons wereldbeeld bepalen. Ze doet dat vanuit de opvatting dat de werkelijkheid niet in woorden en begrippen te vangen is. Die vertroebelen de werkelijkheid door betekenissen vast te leggen en verandering te negeren. De rivier van vandaag is niet de rivier van morgen waardoor ander water stroomt. De persoon die vandaag mijn naam draagt, is een andere dan de persoon die dat morgen doet. Nieuwe indrukken en gebeurtenissen laten immers hun sporen achter in mijn persoonlijkheid. Ook benadrukken woorden en begrippen verschillen en verbloemen ze overeenkomsten. Leven en dood hebben meer gemeen dan de aparte woorden suggereren. Hetzelfde geldt voor verstand en gevoel, voor goed en kwaad, voor mooi en lelijk. Woorden en begrippen zijn namen die benoemen wat in feite niet bestaat. Ze scheppen een fictieve wereld bevolkt door conceptuele schimmen. Bedenk een woord als 'ziel', 'god' of 'natuur' en zo'n begrip krijgt meteen een aura van werkelijkheid. Woorden zijn illusies, aldus Zen. De werkelijkheid schuilt - buiten de woorden - in de verschijnselen zelf. Die vertellen dat niets op zichzelf staat en dat niets een eeuwig gefixeerd zelf heeft. Integendeel, alles is vergankelijk en verandert constant in wederzijdse afhankelijkheid. Vanuit dat perspectief richt de Zen-beoefenaar zich op het tastbare ding, op de individuele gebeurtenis en daarmee op de werkelijkheid van het ogenblik, op het hier-en-nu. Hij doet dat in het volle besef dat dit tijdelijke een manifestatie is van het tijdloze. Zo houdt hij een open oog voor het eeuwige in het tijdelijke, het universele in het individuele, het bijzondere in het alledaagse. Haiku doet verslag van deze wijze van kijken en tegelijkertijd scherpt ze dit kijken aan. Dat gebeurt met woorden, inderdaad, maar met woorden die verwijzen naar concrete dingen, en wel zo dat ze daarin bijna oplossen. Voor abstracties is geen plaats. Daarmee toont haiku de dingen in plaats van ze te beschrijven. Het effect is een gevoel van verwondering. Niet over het 'waarom' van de werkelijkheid, maar over het 'dat' van de werkelijkheid. Haiku analyseert niet, maar constateert. Haiku heeft op ons eenzelfde effect als de gladde kiezel, de kleurige schelp of de knoestige tak waarover een kind zich kan verwonderen.

Poëzie in één adem
Traditioneel telt een haiku drie niet-rijmende regels van respectievelijk vijf, zeven en vijf lettergroepen, net zoals in het aalscholvergedicht hierboven. Ook het gedachtestreepje (scheidingsteken of kireji in het Japans) dat in deze haiku dienst doet als adem- of denkpauze, geldt als lettergreep. Dichters van moderne haiku wijken daar vaak vanaf. In het Engelse taalgebied bestaat de consensus dat strikt vasthouden aan het 5/7/5-stramien vaak leidt tot een gewrongen eindproduct. Een moderne westerse taal steekt nu eenmaal anders in elkaar dan het Japans. Het belangrijkste criterium voor de lengte van een haiku is dat het gedicht vloeiend in één adem is uit te spreken. Daarbij dient de tweede regel langer te zijn dan de regels één en drie. Die eerste en derde regel vormen bij voorkeur een tegenstelling met elkaar. Gelegd langs deze meetlat, is het gedicht van e. e. cummings geen zuivere haiku. Daarvoor wijkt de vorm te zeer af. Ook gebruikt de dichter expliciet een abstract woord om een gevoel uit te drukken. Het woord 'l(one)liness' of 'een(zaam)heid' zul je in een 'echte' haiku niet tegenkomen. Haiku zegt niet eenzaamheid door een abstract begrip te gebruiken, maar toont eenzaamheid via een concreet beeld. Geen haiku dus in de strikte zin van woord, dat 'l(a', maar wel een gedicht dat is beladen met wabi-sabi. Hetzelfde geldt natuurlijk voor menig ander gedicht dat niet voldoet aan de formele haiku-regels. De beleving van de werkelijkheid die ten grondslag ligt aan haiku, is universeel. Zie bijvoorbeeld de volgende regels van de Deense dichteres Tove Meyer (1913-1972):

ik ben een balling -
maar als de vogelwig
in de blauwzwarte lentenacht
krijsend langs de hemel trekt
is het of mij een boodschap bereikt
uit mijn echte vaderland

Duidelijk geen haiku. Althans niet qua lengte en zinsbouw. En ook niet door de expliciete verwijzing naar een subject (de waarnemer) in de woorden 'ik' en 'mijn', iets wat haikudichters doorgaans vermijden. Aan de andere kant is dit gedicht wel degelijk haiku door elementen als het eenvoudige natuurtafereel, de verwijzing naar een seizoen en het element van een(zaam)heid. De ik in het gedicht geeft uitdrukking aan haar gevoel van alleen-zijn. Ze is een balling in de figuurlijke zin dat ze buiten de gewone mensenwereld staat. Tegelijkertijd, en juist door dat isolement, voelt en weet ze zich één met iets dat die mensenwereld overstijgt. Het zijn de overvliegende ganzen die de vonk van dit voelen/weten doen overslaan. Zo deelt Tove Meyer een fundamentele ervaring met de haikudichter, maar ze geeft die ervaring anders vorm. De werking of het 'mechaniek' van haiku laat zich aardig illustreren als we ditzelfde gedicht - met behoud van de essentie - strippen tot een haiku. Die zou er zo kunnen uitzien:

vogelwig krijsend
in de blauwzwarte lentenacht
ver van huis

 

 
naar boven