Tussen pastorale en woestenij

 


In het wilde ligt het behoud van de wereld.

Thoreau

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Literatuur

Despoot, verlicht heerser, rentmeester, partner, participant of natuurmysticus. Welke positie kunnen we het best innemen? Wel, één van de eerste twee lijkt het meest comfortabel. Zowel de despoot als de verlicht heerser sluit immers aan bij de tijdgeest die de natuur ziet als iets om naar onze hand te zetten. Vanuit een despotische houding kun je je verheugen in elke nieuwe zegening van wetenschap, technologie en marketing. En je verwijst gewoon naar de kleine minderheid van natuurwetenschappers die nog stug volhoudt dat de opwarming van de aarde niet het gevolg is van menselijk handelen. 'De temperatuur op aarde heeft altijd al geschommeld.' Dus paal en perk stellen aan onze consumptiedrang is nergens voor nodig. Dat schaadt alleen maar de economie en dus de werkgelegenheid. Wat betreft de afname van de biodiversiteit, die wimpel je gemakkelijk af met de opmerking dat sinds het ontstaan van leven op aarde altijd al soorten zijn verdwenen. "Toen de dinosauriërs uitstierven, leefden er nog geen mensen." Ben je verlicht heerser, dan sus je je ongerustheid met het vertrouwen dat de mens uiteindelijk voor elk milieuprobleem wel een technologische oplossing weet te vinden.

Persoonlijke voorkeur
Wim Zweers kiest voor het standpunt van de participant. Hij pleit voor brede adoptie van deze grondhouding met bijpassend wereldbeeld. Niet, zoals hij zegt, omdat dit beeld het enige ware zou zijn, maar omdat de participerende houding hem het meest aantrekkelijk voorkomt. Ze vormt in zijn ogen ook een voorwaarde om de heersende natuur- en milieucrisis fundamenteel aan te pakken. Dit laatste wordt dus betwist door de verlicht heerser. Daarmee lijkt de aantrekkelijkheid van de participerende houding afhankelijk te zijn van een persoonlijke voorkeur, net zoals dat geldt voor de andere grondhoudingen. Valt dan geen enkel standpunt over de menselijke verhouding tot de natuur te onderbouwen met rationele, objectieve argumenten? Heeft dan niemand gelijk?

Elk perspectief op de natuur is subjectief, zo lijkt het. Dat geldt voor het standpunt van het individu net zogoed als voor het dominante natuurbeeld in een hele samenleving. De natuur heeft voor iedereen en voor elk collectief een andere betekenis. Kortom, 'de' natuur bestaat niet. In de geschiedenis van de westerse cultuur wisselt dan ook voortdurend het ene beeld het andere af, al zijn al die verschillende gedaanten van de natuur in feite te herleiden tot drie mythische oerbeelden: de pastorale idylle, de onbedorven wildernis en de duistere woestenij.

Gouden Tijd
Het beeld van de natuur als duistere woestenij ontstond zo'n 10.000 jaar geleden in het Midden-Oosten en het Middellandse Zeegebied. Tot die tijd leidde de mensheid als jager en verzamelaar een nomadisch bestaan. Bergen, bossen, meren en moerassen hadden een bijzondere betekenis als woonplaats van bovennatuurlijke wezens. Mens en dier werden gezien als onderdeel van dezelfde gemeenschap van levende wezens die alle onderworpen zijn aan dezelfde levenswetten. Dat veranderde met de opkomst van de eerste agrarisch-stedelijke culturen. De stad komt dan als oord van orde en structuur te staan tegenover de natuur als plaats van wanorde en vormeloosheid. In de ogen van de eerste stedelingen heerst buiten de stadsmuren een angstaanjagende wildernis van dichte bossen en stinkende moerassen waarin je verdwaalt of wegzinkt. Daar leven ook afzichtelijke, mensetende monsters.

Eenzelfde beeld domineert het denken in de Grieks-Romeinse tijd. Maar in de antieke oudheid blijkt het geordende stadsleven voor sommigen ook zijn schaduwzijden te kennen. Sociale regels en culturele normen kunnen benauwend werken en leiden tot een gevoel van onvrijheid en gekunsteldheid. De wereld aan de andere kant van de stadsmuur neemt dan de gedaante aan van een pastorale idylle, een soort parklandschap waarin herders vredig leven temidden van lieflijke bosschages, bloemrijke weiden en struiken vol zoete vruchten. Hier vindt als het ware een vermenging plaats tussen het wilde en geciviliseerde, tussen natuur en cultuur.

"Zoet zijn de stemmen van de kalveren en zoet is het loeien van de vaarsen. Zoet speelt de herder op de herdersfluit en zoet is de echo.'' (Theocritus, 3e eeuw v. Chr.)

Als bij de stadsmens echte cultuurmoeheid toeslaat, maakt de pastorale idylle plaats voor de wilde natuur als symbool van het oorspronkelijke en onbedorvene. De Griekse dichter Hesiodus schreef rond 800 v. Chr. over een Gouden Tijd, lang geleden, waarin de mens leefde in nauwe harmonie met de natuur. Die was niet woest en barbaars, maar gaf de mens gul alles wat hij nodig had:

"Al het goede was hun gegeven; want de vruchtbare aarde bracht spontaan een overvloed aan vruchten voort."

Oorden van verschrikking
Met de val van het Romeinse Rijk in de vijfde eeuw van onze jaartelling stort de stedelijke cultuur in een groot deel van Europa in. Tegelijkertijd komt de natuur als duistere woestenij weer als dominant natuurbeeld bovendrijven. De wilde natuur vormt dan de tegenhanger van de goddelijke orde. Ze staat voor het kwaad en voor goddeloosheid. In bossen en bergen huizen duistere krachten. Deze oorden van verschrikking kun je maar beter mijden. Pas in de Renaissance keert de mythe van de pastorale idylle terug. Vanuit de rijke Italiaanse steden herkrijgt de natuur zijn gezicht van onbedorven eenvoud. De mens loopt niet langer het gevaar daar zijn ziel te verliezen. Doordat hij er alle conventies kan loslaten, hervindt hij zich hier juist. Net als in de Romeinse tijd verblijven veel rijke stedelingen in de zomer in hun weelderige landhuizen op het platteland.

Sinds de Renaissance zijn de beelden van de natuur als pastorale idylle en duistere wildernis steeds naast elkaar blijven bestaan. Wel heeft daarbij de echte, onberoerde wildernis voor de meerderheid altijd het negatieve aura van woestheid en onherbergzaamheid behouden. Er klinkt dan ook weinig protest als met de opkomst van de industriële revolutie in West-Europa grote delen van de nog bestaande wildernis in hoog tempo worden omgeploegd. De 'woeste gronden' moeten worden ontgonnen en gekneed tot de grootst mogelijke bruikbaarheid. Het in cultuur brengen van al die 'nevelige moerassen' en 'troosteloze bossen' geldt als symbool van beschaving.

Nieuwe natuur
Tegen de jaren dertig van de vorige eeuw is de wilde natuur in grote delen van Europa grondig geruimd. Zoals menselijke nederzettingen ooit enclaves vormden middenin een overweldigende natuur, zo is de natuur nu een enclave in een overheersende menselijke technotoop. En van de pastorale idylle is in Nederland inmiddels weinig over. Weiland maakt steeds meer plaats voor Vinex-wijk, autoweg, golfbaan of recreatiepark. Door varkensmesterijen, legbatterijen en monocultuur van gewassen heeft het platteland het karakter gekregen van een agrarisch industrieterrein. Deze ontwikkeling heeft ertoe geleid dat de mythe van de onbedorven wildernis is weergekeerd. Maar wat doe je als echte oorspronkelijke wildernis niet meer voorhanden is? Dan ga je zelf 'nieuwe natuur' scheppen door middel van 'natuurontwikkelingsprojecten'. Ecologen laten halfnatuurlijke landschappen weer verwilderen. In cultuurlandschap voeren ze met bulldozers en draglines bemeste landbouwbodems af en graven ze plassen en meren om 'echte' natuur te scheppen waar wilde planten en dieren weer de ruimte hebben. Opvallend is dat bij deze natuurontwikkeling het mythische oerbeeld zich niet langer spiegelt aan bestaande natuur. In plaats daarvan spiegelt de zogenaamd nieuwe natuur zich aan de mythe. En die mythe is inmiddels bijgesteld, want de ondoordringbare moerassen en dichte wouden zijn ingeruild voor open bosgebied met grote kudden grazers.

Leeg projectiescherm
Verwondering of afkeer. Angst of fascinatie. Onze waardering voor de natuur vertoont in de loop van de geschiedenis een constante golfbeweging die suggereert dat ons natuurbeeld vooral afhangt van onze kijk op de eigen cultuur. Wat we voor de natuur voelen, lijkt meer te vertellen over onze verhouding tot de eigen geciviliseerde omgeving dan over de natuur zelf. Je zou kunnen zeggen dat we onze eigen verlangens en opvattingen in de natuur projecteren om ze er vervolgens in terug te lezen. Een leeg, wit projectiescherm. Dat is de natuur, meer niet. Of ligt het anders? Betekent natuur toch meer dan de emoties die ze bij ons oproept?

Bosplaat, Oost-Terschelling, zondagochtend, 05.15 uur. Over het duin en het strand waait een zachte bries. Geen wolk aan de nachtelijke hemel. Absolute stilte.... Dan, aan de horizon, een zwakke rode streep die steeds verder oplicht. Plotseling een fel lichtpunt dat millimeter voor millimeter aangroeit tot een gele bol die zich abrupt bevrijdt van het water en een helder licht uitspreidt over de oneindige uitgestrektheid van de zee. Dit is niet alleen de geboorte van een nieuwe dag, denkt de kijker. Hier zie ik ook de oorsprong van de wereld, het moment waarop de aarde zich verheft uit de aanvankelijke chaos en duisternis.

Een zonsopgang. Een groter cliché is niet denkbaar. Talloos zijn de schilderijen, foto's en dichtregels die eraan zijn gewijd, om van de ansichtkaarten maar te zwijgen. Het beeld van de opgaande zon is tot op de draad versleten. Desondanks blijft dit natuurverschijnsel imponeren, net zoals een stille, lege hoogvlakte of een boomloos, ongenaakbaar berglandschap. Ontzag voor natuurverschijnselen is iets van alle tijden en van alle culturen. Daarmee overstijgt het de louter subjectieve ervaring. Aan de andere kant zijn natuurervaringen ook niet objectief. Ze zijn immers niet kwantificeerbaar, niet te meten of te wegen. Ook zijn ze niet allemaal onder één algemene noemer te brengen. Overeenstemming over de precieze betekenis is uitgesloten. Daarmee vallen natuurervaringen buiten het bereik van de wetenschappelijke duiding. Toch overstijgen ze de hoogstpersoonlijke emotie, die ze ook zijn, en geven ze een reëel inzicht in de aard van de werkelijkheid. Welk inzicht dat is en hoe zwaar het weegt, wordt duidelijk uit het verhaal van de tuinvijver.


Over het imaginaire, het symbolische en het werkelijke

 
naar boven