Over het imaginaire,
het symbolische en het werkelijke

 

 

Werkelijkheid
O
het was
het was een grote
een grote droom
was het
verpakt
in een droom

Bert Schierbeek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Literatuur

pH 7 - 8
KH 7 - 14
GH 7 - 14
Ne < 1mg/l
Na 20 - 30 mg/l

Een man tegen zijn vader: "Ik wil een vijver aanleggen, net als jij vroeger bij ons oude huis. Wat is de beste plek?"
Vader: "In een hoek van de tuin waar niet de hele dag de zon schijnt."
Man: "Waarom?"
Vader: "Anders wordt het water groen en krijgen de vissen te weinig zuurstof."

Met deze aanwijzing van zijn vader gaat de man aan de slag. In het tuincentrum koopt hij een plastic vijverbak, waterplanten en vier mooie, levendige steuren. De bak graaft hij in op een plek waar de zon halve dagen schijnt. Als hij de vijver heeft gevuld met water, de planten en de levende have, is het afwachten of alles aanslaat. In de weken daarna blijft het water mooi helder en de vissen voelen zich ook duidelijk in hun element. Op een dag verschijnen twee libellen en een pad die in deze nieuwe biotoop hun domicili kiezen. Tussen het penningkruid, het vlotgras en de slangewortel nestelen zich slakken en watervlooien. De man beleeft veel plezier aan de vijver. Die toont zich elke dag en op elk tijdstip anders. Met de wisselende schaduwen en schitteringen in het water is de vijver nooit dezelfde vijver. De kleine waterplas in de tuin lijkt te openbaren wat zonlicht is. Om de wuivende waterplanten hangt een waas van geheimzinnigheid.

pH 9
Dan ontdekt de man op een dag dat het water groen begint te worden en de vissen boven de waterspiegel naar lucht happen. Hier gaat iets mis. Hoog tijd om een boekje over aanleg en onderhoud van tuinvijvers te raadplegen. In het boekje staat dat de kwaliteit van het water wordt bepaald door de zuurgraad, ofwel de pH-waarde. Water met een pH-waarde lager dan 7 is zuur en dat is slecht voor de vijverfauna. Water met een pH-waarde hoger dan 7 is alkalisch en dat tast de vijverflora aan. Maar die hogere waarde is tegelijk ook slecht voor de vijverfauna, omdat daardoor de hoeveelheid CO2 toeneemt en de hoeveelheid O2 afneemt. De man besluit de aanwijzingen van het boekje te volgen en koopt bij het tuincentrum teststaafjes om de zuurgraad te meten. En inderdaad, de staafjes bevestigen dat het nogal schort aan de waterkwaliteit. De pH-waarde is 9.

Imaginair of poëtisch
De man van de tuinvijver is de filosoof Hub Zwart. In zijn milieufilosofisch opstel De vijver vertelt hij over bovenstaande ervaring om het contrast te illustreren tussen twee totaal verschillende wijzen om de werkelijkheid te ervaren. Voordat hij het boekje over tuinvijvers las, vormden het water, de planten, de steuren, de libellen, de watervlooien en het zonlicht één geheel. "Op zichzelf beschouwd zouden ze hun betekenis verliezen," aldus Zwart. "De pad die ergens bij de vijver zijn intrek nam, is niet zomaar een pad, maar de pad van deze vijver. Licht is het licht dat op deze vijver valt, de steuren zijn de steuren in deze vijver. Het zijn heel andere vissen geworden dan de steuren die in het aquarium van het tuincentrum zwommen. En de vijver is niet één van deze dingen, het is evenmin de optelsom van deze dingen, maar het geheel ervan, en dat geheel is aanzienlijk meer dan de som der delen." Dit beeld van de vijver noemt Zwart het imaginaire perspectief. Het is een wijze van beschouwen die berust op zintuiglijke indrukken van concrete entiteiten, uitgedrukt in beelden. Het is de verbeelding van de werkelijkheid zoals wij die ervaren in het leven van alledag. Concreet, zintuiglijk - dat niet alleen - maar ook verhalend, anekdotisch en gericht op samenhang. Deze werkelijkheid vinden we bij uitstek verwoord in de poëzie.

Symbolisch of wetenschappelijk
Van dit imaginaire perspectief blijft in het boekje over tuinvijvers niets over. In de tekst verschijnt een totaal andere vijver, een vijver als een verzameling van meetwaarden, zonder licht, schaduw, padden, libellen en watervlooien. De term 'groen' maakt plaats voor de aanduiding 'kwaliteit', uitgedrukt in waarden als pH, KH, GH. Deze waarden zijn afhankelijk van een beperkt aantal variabelen, zoals licht, temperatuur en bodemgesteldheid. De steur is niet langer een mooie sierlijk vis, maar een zuurstofverbruiker die optimaal functioneert bij een pH-waarde van 7. De waterplanten zijn van geheimzinnig wuivende schaduwen veranderd in zuurstofproducenten waarvan het vermogen tot aanmaken van CO2 afhangt van de bacteriecultuur in het bodemsubstraat. De vissen en planten functioneren ook als 'indicatoren van de waterkwaliteit'. Ze zijn getransformeerd tot meetinstrumenten. Kortom, het boekje reduceert de vijver tot een aantal waarden en factoren, uitgedrukt in letters en getallen, dat wil zeggen in symbolen. Het beziet het water, de dieren en de planten met een wetenschappelijke blik die elk object van observatie uit zijn context haalt en het letterlijk of figuurlijk in stukken snijdt om het te analyseren. In deze symbolische beschrijving is van verwondering over de samenhang van alle afzonderlijke elementen geen sprake. De vijver verandert in een netwerk van symbolen.

Verandering in het zien
Het boekje dat Hub Zwart raadpleegde, heeft een lange voorgeschiedenis. In feite is het voortgekomen uit een reeks experimenten die over een lange tijd zijn uitgevoerd. Baanbrekend is de bijdrage van Abraham Trembley. Deze Zwitserse naturalist vist in de zomer van 1740 uit één van de vijvers op landgoed Sorghvliet bij Den Haag een poliep op. Hij doet wat nog geen enkele wetenschapper voor hem heeft gedaan: hij snijdt het waterdiertje in tweeën en constateert dat zijn ingreep niet resulteert in één dode, maar in twee levende poliepen. Trembley's experiment markeert het begin van een cruciale wetenschappelijke praktijk waarbij levende wezens worden ontleed om 'de geheimen van de natuur' bloot te leggen. De ingreep van de Zwitser introduceert niet alleen een verandering in het handelen, maar ook in het zien. In de jaren veertig van de achttiende eeuw waren de naturalisten nog vol verwondering over al het wonderbaarlijke dat ze aantroffen in de natuur. Ze beschouwden hun studieobject - het dier en de plant - als iets dat deel uitmaakt van een groot geheel: de schepping.

Twee decennia later is van die verwondering weinig over. Er is dan een naturalist opgekomen die zijn gevoelens aangaande de levende natuur juist bewust onderdrukt. Emoties zouden hem alleen maar op een dwaalspoor brengen. De nieuwe naturalist legt zijn studieobject op de snijtafel en is erop uit onderdelen los te maken uit hun geheel. Hij deelt wat hij onderzoekt, om het te kunnen wegen, meten en tellen. Dat doet hij met levende wezens en uiteindelijk ook met stoffen. Zo verandert water van een levendragend element in een verbinding van twee waterstofatomen en een zuurstofatoom: H2O. Warmte wordt uitgedrukt in een cijfer dat staat voor de lengte van de kwikkolom in een thermometer. En een vogel als de havik wordt zijn lengte, spanwijdte en gewicht. Er ontstaat een compleet nieuwe wetenschappelijke taal en daarmee een totaal nieuw beeld van de werkelijkheid.

Subjectief versus objectief
De vijver als één geheel of de vijver als verzameling van meetwaarden. Welk van deze twee perspectieven toont de werkelijke vijver? Welke is 'waar' en welke is 'onwaar'? Het imaginaire of poëtische wereldbeeld stoelt op indrukken en intuïties van het individu en gaat daarom door voor subjectief. En aan het subjectieve hechten we in het algemeen weinig waarde als het gaat om 'waarheidsvinding'. De symbolische, wetenschappelijke kijk op de werkelijkheid is meetbaar, voor iedereen verifieerbaar. Deze geldt als objectief en dus waar. Op dat onderscheid valt nogal wat af te dingen. Want bij geen van beide benaderingen is sprake van pure of onmiddellijke ervaring van de werkelijkheid. Ook de wetenschappelijk geanalyseerde vijver is er niet zonder ons toedoen. Hij ontstaat uit een reeks standaardmetingen volgens een strikt voorgeschreven protocol. Ook in het symbolische register blijven we zelf in hoge mate aanwezig in wat we waarnemen. Volgens Wittgenstein is het dan ook een vorm van bijgeloof te menen dat de wetenschappelijk geformuleerde natuurwetten natuurlijke feiten verklaren. Zulke wetten beschrijven slechts regelmatigheden die noch zichzelf verklaren, noch dat wat gebeurt. Ze hebben niet het dwingende, logische van mathematische stellingen, zelfs al laten ze zich in mathematische termen formuleren, aldus deze filosoof. Met andere woorden: ook het symbolische blijft subjectief.

Waar of onwaar
In het geval van het imaginaire en symbolische gaat het dus om twee verschillende - beide op eigen wijze subjectieve - perspectieven die met elkaar wedijveren. Daarbij richt het imaginaire zich vooral op het wezen van de dingen om ze betekenis te kunnen geven. Het symbolische heeft in de eerste plaats aandacht voor de werking van de dingen om ze te kunnen beheersen. Hier staat het zijnsdenken tegenover het werkingsdenken, de vraag naar het wat tegenover de vraag naar het hoe.

Het imaginaire of het symbolische. Je kunt niet zeggen dat het ene waar is en het andere niet. Je kunt hoogstens stellen dat het gaat om twee wijzen van ervaren die elk een andere structuur geven aan de werkelijkheid. Daarmee brengt de optelsom van beide invalshoeken de werkelijke vijver meer aan het licht dan elk van de twee zou doen zonder de ander. En wat geldt voor de vijver, geldt ook voor de natuur en de werkelijkheid in het algemeen: die leren we beter kennen via beide perspectieven dan via één van de twee alleen.


Intermezzo: samenspraak natuurliefhebber

 

 
naar boven