"Een
weg bestaat omdat we hem bewandelen en dingen zijn zo omdat we ze
zo noemen. Waarom
zijn ze zo? Omdat we dat zo hebben afgesproken. En waarom zijn ze
niet zo? Omdat we hebben afgesproken dat ze niet zo zijn."
Zhuang Zi
Geven woorden een betrouwbaar beeld van de werkelijkheid?
Legt taal de waarheid bloot? Zhuang Zi (China, 4e eeuw v. Chr.)
geloofde daar niets van. Als een van de eerste filosofen bracht
hij een gevoel van scepsis over taal onder woorden. We kunnen wel
proberen gebeurtenissen toe te schrijven aan 'het lot' of aan 'de
hemel', maar wie weet, zegt hij, of wat we de hemel noemen niet
eigenlijk de aarde is. En is wat we lot noemen, wellicht niet gewoon
toeval? Alle dingen veranderen voortdurend. Hoe betrouwbaar kunnen
dan de namen zijn die naar deze dingen verwijzen? Weg dus met alle
concepten die op woordbouwsels zijn gebaseerd. Zhuang Zi illustreerde
de ontoereikendheid van de taal onder meer door het veelvuldig gebruik
van paradoxen en toonde daarmee tegelijkertijd de onbeholpenheid
aan van pogingen om met woorden de werkelijkheid te duiden. Als
woorden al iets zeggen, verschilt hun betekenis dan wezenlijk van
vogelgesjilp?
Waarheden zijn illusies
Iemand die in de moderne tijd de relatie tussen taal en werkelijkheid
grondig heeft onderzocht, is Friedrich Nietzsche. Hij meende dat
de behoefte van elke menselijke samenleving om aan dingen en verschijnselen
algemeen geldende benamingen toe te kennen, had geleid tot een 'wetgeving
van de taal' en tegelijk daarmee tot de eerste wetten van 'de waarheid'.
Door te vergeten dat de benamingen van de dingen geen directe relatie
hebben met de realiteit, is de mens in de waan gaan verkeren dat
hij de waarheid bezit. Want wat zeggen die benamingen nu eigenlijk?
Neem het woord 'blad', een willekeurige verzameling van klanken
die verwijst naar ontelbare veelvormige entiteiten in de natuur.
Het gebruik van dit woord wekt de illusie dat behalve de fysieke
bladeren, ook zoiets als een oerblad zou bestaan waarvan alle andere
bladeren zijn afgeleid. In werkelijkheid heeft elk individueel exemplaar
zijn eigen kleur, vorm en structuur. Geen enkel blad is aan een
ander blad gelijk. Daarom kunnen we het woord blad alleen gebruiken
als we aan alle onderlinge verschillen voorbijgaan. En dan verwijst
het woord blad nog naar een ding. Laat staan hoe het is gesteld
met de relatie tussen abstracte begrippen als 'waarheid', 'ziel'
en 'wijsheid' enerzijds en de concrete werkelijkheid anderzijds.
Woorden, aldus Nietzsche, zeggen dan ook niets over het wezen der
dingen. Wie woorden gebruikt, "benoemt slechts de relaties
der dingen tot de mensen en maakt voor deze expressie gebruik van
de meest stoutmoedige metaforen." Langdurige gewenning aan
die metaforen heeft ze als vanzelf tot vaststaande waarheden verheven.
Nietzsches conclusie luidt dan ook: "Waarheden zijn illusies,
waarvan men vergeten is dat ze illusies
zijn."
Verborgen metaforen
Net als Nietzsche meende ook Wittgenstein dat het denken wordt beheerst
door beelden die ons collectief op een dwaalspoor hebben gezet.
"Het beeld hield ons gevangen," aldus een van zijn uitspraken,
"en we konden er niet aan ontsnappen, want het lag in onze
taal, en de taal leek het alleen onverbiddelijk voor ons te herhalen."
Veel van
onze denkbeelden, zegt hij, komen louter voort uit onjuist taalgebruik.
Een mooie illustratie van Wittgensteins visie op taal vormen de
woorden 'willen' en 'wil': de klassieke filosofische breinkrakers
pur sang. Want wat bedoelen we nu eigenlijk als we zeggen 'ik wil
een boterham'? Is dit willen eenzelfde willen als in de zin 'ik
wil zwemmen' of 'ik wil jou'? Nee, want zowel oorzaak als doel zijn
in alle drie de gevallen totaal verschillend. Het eerste willen
komt voort uit honger of trek. Het tweede uit de behoefte aan verkoeling
of lichaamsbeweging. En het derde uit het verlangen naar gezelschap,
tederheid of sex. Wat is dus 'willen'? Een containerbegrip dat de
meest uiteenlopende behoeften, neigingen en gevoelens dekt. En wat
bedoelen we dan met de uitspraak 'dat is tegen mijn wil gebeurd'?
Dat iemand een handeling heeft verricht die tegen mijn behoeften,
neigingen of gevoelens indruist. Niet meer en niet minder. Maar
met de invoering van het zelfstandig naamwoord 'wil' is tegelijk
de indruk ontstaan dat ook zoiets als een zelfstandig ding, een
wil, bestaat. De volgende stap, die naar de vrije wil als zelfstandig
ding, is dan snel gezet. In feite zijn namen of begrippen als 'wil',
'vrije wil', 'geest' en 'verstand' niet anders dan metaforen, maar
dan wel verborgen metaforen, omdat wij geen besef hebben van hun
werkelijke status. Ze zijn stuk voor stuk ooit voor het eerst gebruikt
om vage verschijnselen te benoemen, waarna we ze met terugwerkende
kracht voor concrete dingen gingen aanzien. "Bedenk een naam
en er ontstaat een ding dat lijkt te bestaan", zo kunnen we
het mechanisme omschrijven waarvan hier sprake
is.
Er is geen tekst, alleen context
De visies van denkers als Nietzsche en Wittgenstein komen erop neer
dat taal een grofmazig raamwerk is waarin uitsluitend woorden passen
met een algemene betekenis. Taal reduceert en fixeert de rijkgeschakeerde,
vloeiende werkelijkheid tot starre beelden. Tegelijk creëert de
taal met die beelden een geheel nieuwe wereld die weinig van doen
heeft met diezelfde werkelijkheid. Uit die
constatering heeft Jacques Derrida, vertegenwoordiger van het postmodernisme,
de uiterste consequentie getrokken. Derrida heeft talloze taaluitingen
in de vorm van geschreven teksten uiteengerafeld. Alle sporen in
deze teksten volgend (in zijn woorden: deconstruerend), stuitte
hij steeds op eindeloze reeksen andere teksten en interpretatiemogelijkheden.
Daaruit concludeerde hij dat elke tekst op oneindig veel verschillende
manieren kan worden gelezen, dus ook eindeloos veel betekenissen
heeft, allemaal afhankelijk van de associaties en standpunten die
de lezers innemen. De enige echte betekenis van een tekst achterhalen
is in zijn ogen onmogelijk. Zo'n betekenis bestaat gewoonweg niet.
Context, dat is het enige wat bestaat. En omdat er niet één tekst
is met een echte eenduidige betekenis, kan ook niet één tekst een
echte eenduidige relatie hebben met de werkelijkheid. Tussen taal
en werkelijkheid gaapt een afgrond die niet te overbruggen is.