The sky seemed not a sky of earth

 


      
decoyed
gelokt
primrose
sleutelbloem
vale
vallei
fissure
(rots)spleet
to blow amain
hard waaien


 

Nor less in springtime when on southern banks
The shining sun had from his knot of leaves
Decoyed the primrose flower, and when the Vales
And woods were warm, was I a plunderer then
In the high places, on the lonesome peaks
Wherever, among the mountains and the winds,
The Mother Bird had built her lodge. Though mean
My object, and inglorious, yet the end
Was not ignoble. Oh! when I have hung
Above the raven's nest, by knots of grass
And half-inch fissures in the slippery rock
But ill sustained, and almost, as it seemed,
Suspended by the blast which blew amain,
Shouldering the naked crag; Oh! at that time,
While on the perilous ridge I hung alone,
With what strange utterance did the loud dry wind
Blow through my ears! the sky seemed not a sky
Of earth, and with what motion moved the clouds!

                                                         
The Prelude I (1805), 333-350

Wordsworth beschreef deze jeugdervaring zo'n twintig jaar na dato. Over het leeghalen van de vogelnesten had hij toen een ongemakkelijk gevoel.

                                             Though mean
My object, and inglorious, yet the end
Was not ignoble.

Wat hij had gedaan, vond hij aan de ene kant gemeen, iets om zich voor te schamen. Maar deze daad had 'een nobel doel'. De raven in het Lake District hadden het in de lente vaak voorzien op de pasgeboren lammeren, waarvan ze de ogen uitpikten. De schapenboeren in de streek betaalden vaak voor het preventief 'ruimen' van de eieren. En nog steeds beschouwen de boeren in het Lake District raven als ongedierte dat hun kostbare vee belaagt. James Rebanks, een moderne schapenboer uit Matterdale, beschrijft in zijn boek The Shepherd's Life de jaarlijkse wraakneming op de 'gevleugelde moordenaars'. 

In mijn jeugd omsingelden de mannen tegen het eind van de lammertijd de bossen en schoten de raven dood, schreeuwend, opgewonden als kleine jongens na de weken van hard werken. Overal in de vallei echode het gekras van raven en geplof van patronen, de vergelding uit een jachtgeweer voor eenogige lammeren en verminkte kadavers. Takken vlogen door de lucht, nesten stortten omlaag tussen de bomen. Raven, roeken, kraaien, eksters en kauwen - allemaal gezocht wegens het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Alles met zwarte veren was een 'klootzak', een rover, een moordenaar en een schurk. In een vallei waar de mensen leefden voor hun schapen, waren deze schaduwen van de lammerweiden schuldig. De ochtend erna was het gras aan de bosrand bezaaid met zwarte vlekken: gebroken vleugels, veren met gaten, bloedspatten, porceleinen poten geknakt als cocktailprikkers. Door de hele vallei krijsten de overlevers woedend hun aanklacht tegen de schapenhoeders. 

James Rebanks, The Shepherd's Life, A Tale of the Lake District,
p. 267-268,
Penguin Books, 2016


 

 
naar boven