Slechts de natuur is goddelijk...

 

 

In het milieu staat de mens centraal, in de natuur kan hij gemist worden - en dat verklaart meteen de blinde haat die de natuur bij velen opwekt.

Koos van Zomeren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Literatuur

 

 

Slechts de natuur is goddelijk en zij is niet goddelijk…

Wanneer ik over haar spreek, soms, als over een wezen
Is het omdat ik, om over haar te spreken, mensentaal gebruiken moet
Die persoonlijkheid geeft aan de dingen
En de dingen ook een naam oplegt.

Maar de dingen hebben geen naam en geen persoonlijkheid:
Ze bestaan, en de hemel is groot en de aarde weids,
En ons hart zo groot als een gebalde vuist…

Gezegend zij ik om alles wat ik niet weet.
Dit alles is wat ik werkelijk ben.
Dit alles is als wie weet dat de zon bestaat.


Fernando Pessoa

Het voorbeeld van de tuinvijver maakt duidelijk dat het imaginaire en het symbolische, beide - en elk op eigen wijze - zicht bieden op de werkelijkheid. Althans tot op zekere hoogte. Want het ware inzicht in de verschijnselen is niet te vatten in taal, of dat nu de beeldende taal is van de poëzie of de tekentaal van de wetenschap. Zoals Fernando Pessoa zegt: met onze mensentaal noemen we de dingen bij naam, terwijl ze, los van onze taal, geen naam hebben, maar slechts bestaan. De werkelijkheid is niet te vatten in woorden of symbolen, van welke aard dan ook. Gezegend is daarom hij die geen weet heeft van zulke namen, maar slechts van het concrete bestaan van de dingen.

Deze constatering lijkt het kennen van de werkelijkheid terug te brengen tot het direct ervaren van de realiteit van alledag, zonder de vertaling via wetenschap of poëzie. In zekere zin komt het daarop neer. Toch bestaat een essentieel verschil tussen de gewone alledaagse ervaring van de werkelijkheid en de directe ervaring van de concrete dingen. Dat kunnen we opmaken uit de kenleer van Spinoza. De Nederlandse filosoof (1632-1677) onderscheidt drie soorten van weten die als de treden van een ladder leiden naar ware kennis.

De ladder van Spinoza
Tot de eerste kennissoort behoren de 'algemene begrippen' die wij ontlenen aan de zintuiglijke waarneming van afzonderlijke verschijnselen. We hebben allemaal in de loop van ons leven vele malen een paard en een boom gezien en misschien ook wel eens een havik (in elk geval op een foto). Op basis van die individuele waarnemingen hebben wij ons een idee gevormd van het paard, de boom en de havik. Zulke begrippen zijn verward, aldus Spinoza omdat ze 'ongeordend aan het verstand worden voorgesteld'. Ze berusten op vage, willekeurige ervaring. Hetzelfde geldt voor de begrippen die we vormen via horen zeggen of uit wat we lezen - in onze tijd dus ook uit wat we horen en zien op radio en TV. In al deze gevallen gaat het om kennis van de buitenkant, om bedrieglijke kennis die niet helder en zeker is. Spinoza noemt deze eerste vorm van weten 'mening' of 'verbeelding' (opinio of imagio).

Het tweede niveau van weten is dat van het verstand, de ratio. Hier treffen we 'algemeen erkende begrippen en juiste voorstellingen van de eigenschappen der dingen'. De begrippen die voortkomen uit de ratio, zijn helder, wel-onderscheiden en systematisch gedefinieerd. Dit is het terrein van de wetenschap waar de kennis abstract is en algemeen, op grond van alle dingen, niet van enkele toevallige dingen. Paard, boom en havik verschijnen hier in maten, gewichten en getallen.

Doorzichtigheid
Door zintuiglijke indrukken als onbetrouwbaar te kwalificeren en het verstand in de kennishierarchie een trede hoger te plaatsen, sluit Spinoza aan bij de opvattingen van tijdgenoten als Galilei en Descartes. Maar in tegenstelling tot hen, zet hij op dit punt aangekomen nog een extra stap. Hij onderkent daarbij dat de ratio, net als de opinio of imagio, eigenlijk ook aan de buitenkant blijft. Want op dat tweede niveau van weten vinden we procedurele kennis, dat wil zeggen kennis verkregen door toepassing van voorgeschreven wetenschappelijke regels en methoden. 'Adequate' kennis die de werkelijkheid echt doorgrondt, vereist dan ook nog een andere vorm van weten. Die noemt Spinoza de scientia intuitiva, het intuïtieve weten. Daarmee doelt hij niet op intuïtie in de betekenis van een puur gevoelsmatige, niet-rationele vorm van kennis. Hij verwijst ermee naar een direct verstandelijk aanschouwen in tegenstelling tot het indirect verstandelijk redeneren dat altijd de bemiddeling nodig heeft van namen (woorden) en tekens (symbolen). Het Nederlandse equivalent dat Spinoza gebruikt voor zijn begrip scientia intuitiva, is 'deurzigtigheit'.

'De adequate kennis van het wezen van alle dingen in de werkelijkheid'. Zo omschrijft Spinoza deze doorzichtigheid. Volgens hem heeft dit direct aanschouwen van de verschijnselen, zowel een verstandelijk als een zintuiglijk en gevoelsmatig fundament. Doorzichtigheid begint bij de imagio en ratio, kan niet zonder beide, maar vormt daarvan tegelijk de overtreffende trap. Uiteindelijk is het een emotioneel verankerde kennis gebaseerd op individuele ervaring met de afzonderlijke dingen, gekoppeld aan een diep gevoeld besef van de onderlinge verbondenheid van die dingen. Het is een vorm van weten die verschijnselen als paard, boom en havik een extra, diepere betekenisdimensie geeft. Deze dimensie overstijgt de begrippen - de namen - die wij geven aan de dingen en gaat ook voorbij aan de alledaagse indrukken van het eerste en de rationalisaties van het tweede kennisniveau.

Voor zijn 'doorzicht' dat al het bestaande zich kenmerkt door onderlinge verbondenheid geeft Spinoza in zijn Ethica een theoretische onderbouwing die draait om het begrip 'substantie'. Vandaag de dag gebruiken we dat woord vooral in natuurkundige zin, in de betekenis van stof of materie. In de zeventiende eeuw verwijzen Spinoza en zijn collega-filosofen, waaronder Descartes, hiermee naar 'iets dat op zichzelf staat en volkomen onafhankelijk is van iets anders'.

Descartes: twee substanties
Volgens Descartes telt de werkelijkheid twee van deze substanties: aan de ene kant die van het denken, aan de andere kant die van de 'uitgebreidheid'. De eerste is de geestelijke werkelijkheid, het terrein dat de mens deelt met God. De tweede is de natuurlijke werkelijkheid, dat wil zeggen de materie die zich manifesteert in de vorm van ruimtelijke objecten, met andere woorden: alle fysieke verschijnselen. Tot die werkelijkheid behoren zowel het menselijk lichaam als alle niet-menselijke schepsels. In Descartes' dualistische visie bestaat tussen de twee substanties geen interactie. In feite zijn het twee volkomen aparte werelden waarbij de mens-als-denkend-wezen een positie inneemt recht tegenover de natuur-als-zielloze-materie. Al het niet-menselijke wordt als een mechanisme beheerst door uniforme wetten van druk en tegendruk. Het is passief, kent geen eigen bedoelingen of streven, heeft geen besef van zichzelf. Deze kenmerken beschouwt Descartes als 'modi' ofwel verschijningsvormen van het denken, een eigenschap die dus is voorbehouden aan de mens. Daardoor is alleen de mens in staat tot autonoom en doelgericht handelen. Daardoor bezit alleen hij een eigen waarde.

De zienswijze van Descartes heeft vergaande consequenties voor de relatie tussen de mens en de niet-menselijke natuur en bijgevolg voor de manier waarop wij de wereld inrichten. Wie de mens als denkend en voelend wezen - als subject met zelfbewustzijn - onderscheidt van de natuur als verzameling van zielloze objecten, voelt geen morele verantwoordelijkheid voor die andere 'vreemde' wereld. Voor hem is de natuur één geheel van uniforme wetmatigheden, in ethische zin volkomen neutraal. Mededogen gaat alleen uit naar menselijk soortgenoten, hier en nu of in de toekomst, in onze directe omgeving of ook elders in de wereld. De natuur, als materie zonder innerlijkheid, is slechts manipuleerbare grondstof die we kunnen benutten voor de gezondheid en welvaart van de mens. De natuur is als was in onze handen, volledig kneedbaar naar onze behoeften.

De expliciete formulering van dit wereldbeeld, in de zeventiende eeuw, heeft de mensheid geen windeieren gelegd. Ze gaf een extra stimulans aan onderzoek en de nuttige toepassing van kennis die ons in staat stelt onze omgeving ingrijpend te manipuleren. Zonder het mechanisch-materialistische denken was de mensheid verstoken gebleven van zaken als penicilline, verbrandingsmotor, centrale verwarming, internet, bulldozer en fragmentatiebom. Begrijpelijk dat het Cartesiaanse dualisme met zijn instrumentele benadering van de natuur onze cultuur is gaan beheersen en dat tot op de dag van vandaag nog steeds doet. Even begrijpelijk is het dat Spinoza's visie op de werkelijkheid tot nu toe altijd in de schaduw bleef.

Spinoza: één substantie
In tegenstelling tot Descartes beschouwt Spinoza denken (geest) en uitgebreidheid (materie) namelijk niet als afzonderlijke, volstrekt van elkaar gescheiden substanties. Voor hem zijn het twee samenhangende 'attributen' (eigenschappen) van één en dezelfde substantie. Er is slechts één substantie, slechts één Zijn dat zich kenmerkt door ondeelbaarheid, oneindigheid en eenheid. Al het bestaande neemt deel aan die ene werkelijkheid. Bovendien - en ook daarin wijkt Spinoza af van Descartes - is die ene substantie niet gecreëerd door een externe macht (God), maar oorzaak van zichzelf (causa suis). Ze ontleent haar bestaan aan niets anders dan aan zichzelf. Spinoza duidt deze zelfstandige werkelijkheid aan met God of Natuur.

Als het Zijn bestaat uit één substantie, één geheel is, dan vervalt het rigoureuze onderscheid tussen geest en materie. Mens, dier en plant participeren aan één en dezelfde ondeelbare werkelijkheid waarmee zij ook enkele fundamentele kenmerken delen. Eén daarvan is de impuls tot zelfbehoud en zelfontplooiing, aldus Spinoza. In feite is de werkelijkheid een systeem dat constant probeert zichzelf te realiseren en handhaven. En binnen dat systeem worden de samenstellende delen gekenmerkt door diezelfde impuls. De conatus, zoals hij deze drang noemt, vormt een essentiële eigenschap van al het bestaande. Letterlijk zegt hij het zo:

"Het streven waarmee elk ding in zijn bestaan tracht te volharden is niet anders dan het werkelijke wezen van dit ding zelf."

De bril van Spinoza
Streven naar zelfbehoud en zelfontplooiing in onderlinge verbondenheid. Daarvan is de natuur als geheel en daarvan is elk wezen afzonderlijk doortrokken. Plant, dier en mens nemen deel aan dezelfde zichzelf scheppende natuur en streven daarbij eenzelfde 'eigen goed' na. Daarmee bezitten ze ieder een eigen, intrinsieke waarde. Dat paard, boom of havik zich daarvan niet bewust zijn, doet daar niets aan af.

Directe consequentie van dit werkelijkheidsbeeld is het besef dat planten en dieren geen zielloze automaten zijn die de mens naar believen kan manipuleren. En wie de wereld beziet door de bril van Spinoza, vindt het ook vanzelfsprekend dat de ecosystemen waarin het niet-menselijk leven gedijt, van verdere afbraak verschoond moeten blijven. Sterker nog, hij of zij voelt de onttakeling van de natuur als een schending van de werkelijkheid.

Systeem. Gij spitst geen oog of baard
en draagt geen slepend kleed;
hij die in U een man ontwaart
misvormt U naar zijn eigen aard
waar hij ook niets van weet.

Systeem, ik noem U dus geen God,
geen Heer of ander Woord
waarvan men gave en gebod
en wraak wacht en tot wiens genot
met volkeren vermoordt.

Systeem! Lijf dat op niets lijkt,
Aard van ons hier en nu,
ik voel mij diep door U bereikt
en als daardoor mijn tijd verstrijkt
ben ik nog meer van U.


Leo Vroman


Epiloog: tegenspraak technocraat

 

 
naar boven