Heel jammer dat ik nooit heb geleerd een penseel te hanteren

Dorothy's subtiele portretten van mens en landschap

 






 

 



In de avond, toen we - als we goed keken - een paar bleke sterren aan de hemel konden ontdekken, zagen we op een verhoging die onze blik begrensde, en toch heel dichtbij, met op de achtergrond de heldere gele wolken in het westen, een groepje mensen en betreurden we het dat we geen schilders waren. Twee herders, met daarnaast een hond, zaten op de heuvel bij een kudde koeien verspreid over een grote wei aan de oever van de rivier. Hun gestalten, in het wijkend licht, met daarachter het heldere westen, staken scherp af, een prachtig schilderij in de stilte van een zondagavond dat gedachten en beelden opriep van bijna aartsvaderlijke eenvoud en charme.

Meerdere malen, zowel in haar Herinneringen aan een reis door Schotland als in haar Grasmere-dagboeken, voelt Dorothy de onmacht van elke schrijver die probeert de juiste woorden te vinden om de kleur en de sfeer van een waargenomen tafereel uit te drukken. "Ik weet niet hoe ik het moet zeggen", of "ik kom woorden terkort om het te beschrijven", staat er dan. Eigenlijk had ze liever schilder dan schrijver willen zijn, zoals ze een vriendin liet weten in een brief: "Het is heel jammer dat ik nooit heb geleerd een penseel te hanteren. Zonder overdrijving kan ik zeggen dat ik dat tijdens bijna elke wandeling weer betreur".

Wie Dorothy's gedetailleerde portretten leest van mens en landschap, kan niet anders dan met haar van mening verschillen. De manier waarop zij schildert met woorden is even subtiel en suggestief als de manier waarop tijdgenoten als John Constable of William Turner spreken in verf. Haar 'herders in vervagend avondlicht', hierboven, doet niet onder voor De terugkeer van de kudde van Anton Mauve, net zo min als haar impressie van een Schots keukeninterieur inferieur zou zijn aan Binnenhuis (de kelder in de Kazernestraat) van Jan Hendrik Weissenbruch. De fragmenten elders op deze pagina's getuigen daarvan, maar er zijn meer voorbeelden, te mooi om hier niet te tonen. Daarom volgt hieronder een kleine galerij met nog enkele van Dorothy's woordschilderijen, voorzien van een intro en een toepasselijke titel. 


1. Vissersboten bij Cairndow

Bij vertrek uit Cairndow, dat bestond uit een enkel huis aan de oever van Loch Fyne, scheen een vrolijk zonnetje en waaide een fris windje. De golven sloegen tegen de kant, de zon schitterde op het water, af en toe passeerden de Wordsworths een cottage of boomgroepje, hier en daar werkten mensen op het land.  


W
at vooral onze aandacht trok, was op een bepaald punt een groepje vissersboten dat voor anker lag in een stille uithoek van het meer, een kleine baai of haven naast de weg. Ze lagen in de schaduw van visnetten die te drogen hingen en een donkere luifel vormden die hen bedekte als een tent, aan beide zijden over het water gedrapeerd in buitengewoon sierlijke plooien. Het groepje boten hulde zich in gewijde, contemplatieve rust en stak opvallend af tegen het levendige en glinsterende water, doodstil en bewingingloos zoals zij daar lagen in hun beschutte hoekje.


2. Loch Katrine bij het licht van de eerste sterren

In de derde week van hun reis hadden de Wordsworths een boottocht gemaakt over Loch Katrine. De sfeer van het meer had toen - ondanks, of misschien wel dankzij, de regen en de windvlagen - diepe indruk op hen gemaakt. Zozeer zelfs dat ze zich in de vijfde week nogmaals door dezelfde veerman over het meer lieten rondvaren. Dit keer dreven ze over doodstil en spiegelglad water bij het licht van de eerste sterren. Dorothy: "Zelden heb ik zo genoten van de majestueuze omgeving als tijdens het korte tochtje op deze avond".    



D
e eerste sterren verschenen, maar de hemel in het westen was nog helder - het meer lag er volkomen stil bij, en toen we net in de boot zaten, roeiden we dicht langs de oever onder steile rotswanden waaraan berken hingen: alsof we een nieuw land ontdekten waarvan we niet hadden kunnen dromen, want toen we eerder langs het meer kwamen, over een weg die behoorlijk hoog langs de hellingen liep, bleven de rotsen en de inhammen aan ons oog onttrokken. Dit keer vormden diezelfde rotsen en hun weerspiegeling in het stille water n imposant geheel, beide waren even goed zichtbaar, behalve waar het water rimpelde door de beweging van onze boot. Nadat we een tijdje onder de ruige bergwand hadden gevaren, roeiden we verder het meer op waar de oevers niet meer loodrecht uit het water rezen. Er hing geen wolk aan de lucht, en alles leek gehuld in diepe rust behalve onze eenzame boot en de bergstromen die we af en toe en heel zachtjes hoorden.


3. Het kromme vrouwtje van Dryburgh Abbey

Bij de kastelen, landhuizen en abdijen die ze op hun route tegenkwamen, namen Dorothy en William graag een kijkje. Veel van die bezienswaardigheden gingen schuil achter een hek. Voor een bezichting moesten ze aanbellen, waarna de portier hen dan rondleidde. Zo ook bij hun bezoek - direkt na het ontbijt en in de regen - aan de rune en tuinen van Dryburgh Abbey, in de streek ten zuiden van Edinburgh.



W
e belden aan bij de poort, en in plaats van een portier kwam een oude vrouw tevoorschijn door een smal laantje, uitgeknipt in een dichte dennenhaag, om open te doen. Toen we naar binnenliepen zagen we net boven de bomen het rieten dak van haar hut, het zag er schattig uit, maar het uiterlijk van het arme schepsel zelf zou een kind de stuipen op het lijf hebben gejaagd - bijna dubbelgevouwen, met een haakneus en overhangende wenkbrauwen, een gezicht bruin van de rook, en een muts die ze zo te zien al maandenlang droeg zonder deze ooit gewassen te hebben. Ongetwijfeld had ze zitten soezen in de turfwalm van de open haard, want als ze uit haar mond of porien rook had uitgeademd, had de geur niet sterker kunnen zijn.



4. Jongetje in de mist bij Tarbet

Nog vijf kilometer moesten Dorothy en William lopen langs de boorden van Loch Lomond voordat ze zouden aankomen in Tarbet, waar ze gingen overnachten. Het begon net te schemeren, het regende licht, "het was verlaten en overweldigend - hemel, water en bergen waren n".   


T
erwijl we daar liepen en de weg ons over de rand van een heuvel leidde, bleven we abrupt stilstaan toen we vanaf het veld vlakbij ons het geluid hoorden van wat leek op een Keltische roep. Het kwam van een jongetje dat we konden onderscheiden op de heuvel tussen ons en het meer, gehuld in een grijze plaid. Hij riep waarschijnlijk het vee bijeen om het naar huis te brengen voor de nacht. Zijn verschijning sprak enorm tot de verbeelding: mist lag over helling, duisternis bekroop de lange rij aaneengesloten bergen, bergstromen bulderden, geen huis te zien waar de jongen zou kunnen wonen; zijn kleding, geroep en voorkomen zo anders dan we gewend waren. Het was een tekst, zoals William later tegen me zei, die in zichzelf de hele geschiedenis van het leven in de Hooglanden bevatte - de weemoed, de eenvoud, de armoede, het bijgeloof en vooral het mysterieuze dat deel heeft aan een bovenaardse werkelijkheid. 



                5. Vrachtboot onder zeil op Loch Awe

Vissersboten op een kluitje in een windstille hoek van een meer. Een veerboot stampend op de golven. Een vrachtboot met de wind vol in het zeil. Dorothy beschrijft hun verschijning steeds in detail en duidelijk met groot plezier. Als zij en haar broer door het dal van Loch Awe rijden, zien ze plotseling het witte zeil van een schip de hoek omkomen tegen de achtergrond van steile, roodpaarse puinhellingen.    


We waren nu omsloten door steile heuvels, aan de overzijde volkomen kaal, aan onze kant kaal of met bomen; deze tak van het meer vulde het hele dal. Het was een aangenaam, verlaten tafereel; de langgerekte kale rotswand aan de andere kant rees direct uit het water, heel steil, niet ruig of rotsig, maar met schrale schapenweiden en grote velden met kleine steentjes, paars, duifkleurig of rood, 'screes', zoals ze worden genoemd in Cumberland en Westmoreland. Deze velden, of liever zeen van steen, leken glad als de veengrond zelf, nee, ik moet zeggen, zo zacht als vogelveren waarop ze leken in kleur. Aan beide zijden van het water ontbrak elke bebouwing; op hele stukken was alleen net genoeg ruimte voor de weg, en de andere oever leek onbegaanbaar voor elk schepsel groter dan de bergschapen die, lopend over de puinhellingen, ongetwijfeld vaak een lading stenen naar het meer, beneden, zullen laten glijden.

Nadat we enige tijd de bochtige weg door de vallei waren gegaan zonder iemand lopend, te paard of met een kar tegen te komen, zagen we opeens een schip net toen het rond de punt van een heuvel zeilde in het deel van de vallei waar wij waren. Het voer kalm midden over het water met n groot zeil bollend van de wind die het precies in onze richting blies. Ik kom woorden tekort om te beschrijven welke romantische beelden dit schip met zich meebracht - hoe veel mooier de bergen leken, hoe veel bekoorlijker het meer. We zagen n man aan boord, die aan het roer zat, en, omdat hij zonder metgezel was, de boot een stiller aanzien gaf dan wanneer wij hem niet hadden kunnen zien. Bijna had ik schip gezegd, want op dat smalle water leek het net zo groot als de schepen die ik uit een haven de zee op heb zien zeilen. Iets verderop kwamen we langs een stenen hut aan de kant van het meer waar vlakbij veel zakken houtskool stonden, en wij vermoedden dat de boot daar houtskool afleverde vanuit andere delen van Loch Awe om te worden vervoerd naar de ijzergieterijen bij Loch Etive.


  

 
naar boven
<<<