In tegenstelling tot de filosofie stelt poëzie geen expliciete
vragen. Poëzie geeft 'slechts' woorden aan gedachten, gevoelens
en ervaringen. Aan harde feiten dus. Feiten zoals de angst en de onzekerheid
die ten grondslag liggen aan diezelfde grote vragen. Zo verwoordt
poëzie ook de onmacht om de werkelijkheid te achterhalen. In
het 'Gesprek met een steen'
van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska probeert de ik hardnekkig
door te dringen tot het binnenste van een steen en die steen zijn
geheimen te ontfutselen. Maar de steen weigert toegang, laat alleen
zijn buitenkant zien. "Zelfs aan stukken geslagen," zegt hij, "zullen
we hermetisch gesloten blijven." Met andere woorden, de werkelijkheid
laat zich slechts aan de oppervlakte kennen. Tot haar essentie doordringen
kunnen wij niet. Zij valt niet tot op het bot te analyseren, zelfs
niet wanneer we haar uiteen peuteren in duizend minuscule deeltjes.
Als we Szymborska's beeld van de steen verder doortrekken, dan bestaat
dus bijvoorbeeld geen antwoord op de klassieke filosofische vraag
of de werkelijkheid (de wereld) uit iets, of uit niets
is ontstaan. Dat antwoord ligt diep in het 'binnenste van de steen',
dat wil zeggen diep in de werkelijkheid, verborgen. En dan bestaat
ook geen antwoord op de vraag wie of wat ten grondslag ligt aan die
werkelijkheid.
In haar gedicht analyseert Szymborska onze onmacht niet, maar ze
beschrijft ons vruchteloos streven om te weten in de vorm van een
metafoor. Die stelt ons het feit van die onmacht glashelder voor ogen.
Onontkoombaar en juist daardoor nog acceptabel ook.