Weergeven en zelf verdwijnen

 



Poëzie is eenvoudig een in het metafysische geankerd spel met woorden.

Paul van Ostaijen

 

 

 

 

 

Vergelijk deze regels van Basho met het volgende gedicht van O.C. Jellema.

Zeegezicht

Op de palm van jouw hand, in dat landschap
van gevormde levenslijnen,
niet groter dan een flinke waterdruppel

- terwijl zonsondergang de hele
hemel boven de eindstreep van het eiland
ginds in Turner-kleuren zet -

die babykrab, voorzichtig
van tussen de basaltblokken geraapt,
z'n onderkomen waar hij wachtte op de vloed.

Nog kleiner dan de nagel van jouw pink,
z'n grijsblauw pantsertje nog niet verkalkt,
krabbelt hij zijwaarts over plooi en heuvel,
een onbekende wereld, verontrust
dat bodem warmte geeft.

Dan, op de rand van dat heelal, laat hij
zich zonder aarzeling terugvallen in
de veiligheid van spleten, zeezand, steen,
met achterlating van een beeld, van
haast een naam.

Nu is het of wij, samen onder aan de dijk,
worden gezien, terwijl het water stijgt
en in doorschijning spiegelt hoe de hemel kleurt.
Heeft iemand iets gezegd? Nee, niemand sprak.

In dit gedicht verwondert Jellema zich over de tegenstelling tussen het kosmische verschijnsel van de vlammende avondzon en het nietige schepsel in de hand van zijn metgezel. Daarnaast interpreteert hij de 'emotie' van het kleine diertje. Het is 'verontrust dat bodem warmte geeft'. Ook meent hij te voelen dat iemand die groter is dan hijzelf deze aardse scène gadeslaat, maar tegelijkertijd doet hij dit af als een illusie. Wat overblijft is een besef van verbondenheid van het nietige met het grootse, van het klein-individuele met het groot-alomvattende. Om dit effect te bereiken gebruikt de dichter een flinkt aantal beelden waarvan hij er enkele nog extra uitwerkt. Zo omschrijft hij de handpalm als 'dat landschap van gevormde levenslijnen'. Van de babykrab zegt hij dat z'n grijsblauw pantsertje nog niet is verkalkt. Niets op tegen natuurlijk. Dit blijft een schitterend gedicht boordevol yugen, aware en wabi-sabi, maar de haikudichter kiest een andere vorm. Anders dan Jellema beperkt Basho zich in zijn gedicht over het krabbetje tot één element: de verwondering om de nietigheid van het kleine schepsel. Een andere haikudichter had misschien de tegenstelling tussen het kleine en het groot-alomvattende bendadrukt. Hij had dan op regels als deze kunnen uitkomen:

babykrab geraapt
tussen het basalt vandaan
vuur aan de hemel

 

 

 
naar boven