That blessed mood in which we see
      into the life of things

        William Wordsworth - poŰzie als epifanie

 

Mystieke dichters zijn zieke filosofen, en filosofen zijn onwijze mensen. Want mystieke dichters zeggen dat bloemen voelen en dat stenen zielen hebben en rivieren extasen in het maanlicht. Maar bloemen, als ze zouden voelen, ze waren als mensen.

Fernando Pessoa
(Alberto Caeiro
)



 




























































































din
lawaai
weariness
vermoeidheid














burthen
last
corporeal frame
lichaam
suspended
uitgesteld, gestopt


















Literatuur
















The ocean and the earth beneath him lay
In gladness and deep joy. 
The clouds were touched,
And in their silent faces he did read
Unutterable love.              
                               The Pedlar, 97- 99

Bij het lezen van deze, eerder geciteerde regels zal de scepticus denken: de oceaan en de aarde vervuld van blijdschap en diepe vreugde? Onuitsprekelijke liefde in de gezichten van de wolken? Wat een onzin, de oceaan en de aarde voelen niets, evenmin als de wolken, die daar gevoelloos boven drijven. Dit is typisch een geval van kinderlijke projectie waarbij menselijke emoties worden toegekend aan dieren en 'dode' dingen. PoŰtische nonsense.

Pathetic fallacy
Critici van zulke projecties verwijzen graag naar de negentiende eeuwse kunshistoricus John Ruskin, die zulke dichterlijke uitingen aanduidt met de term pathetic fallacy. Dit begrip, onvertaalbaar door zijn compactheid, suggereert een betekenis van ongelukkige misvatting, van ziekelijk en beklagenswaardig zelfbedrog. Daardoor zou je denken dat Ruskin alle gevallen veroordeelt waarin een schrijver menselijke eigenschappen toekent aan niet-menselijke wezens of verschijnselen. Maar wie de moeite neemt om Ruskins' beroemde werk Modern Painters (1856) erop na te slaan, ziet dat hij de pathetic fallacy alleen afkeurt als zij in verkeerde handen valt: die van tweederangs dichters. Zij slaan bij zo'n overdracht van emoties vaak een valse noot aan. Dat komt omdat ze een sterk gevoel paren aan zwak denkvermogen en vals inzicht, het zijn 'men who feel strongly, think weakly, and see untruly'. Zo niet de categorie van de grote dichters waartoe Ruskin onder meer Homerus, Dante en Wordsworth rekent. Die laten zich niet door hun emoties meeslepen, maar beteugelen deze met de ratio. Zulke dichters zijn 'men who feel strongly, think strongly, and see truly'. Zij overschrijden op hun beste momenten de grens waarvoorbij 'koortsachtige en wilde fantasie', hoewel onwaar, toch waar kan zijn. Dat is het punt waarop zij iets ervaren dat hun denken te boven gaat, iets dat hen uit het lood slaat. De krachten die hen overweldigen zijn sterker dan zijzelf. Zij verkeren dan in een staat van 'profetische inspiratie' en duiden het onuitsprekelijke dat ze ervaren met ongewone beelden.

Literaire versus religieuze epifanie
Wordsworth, opgegroeid met de Bijbel, beschreef zijn jeugdervaringen in een taal die verwant is aan de taal van de Bijbelse profeten. Deze 'boodschappers van God' zouden hun inspiratie ontvangen van een hogere macht. Er is dan sprake van een religieuze openbaring, van een plotselinge bekering of een mystiek visioen. Vaak hebben zulke ervaringen plaats op een berg of in de woestijn. Sinds de Oudheid worden ze aangeduid met de term epifanie, een Grieks woord dat bestaat uit het voorvoegsel epi (bij, op, over) en het werkwoord phanein (tonen, aan het licht brengen).

Ook Wordsworth ondergaat zijn momenten van inspiratie
- net als zijn fictieve evenbeeld de pedlar - meestal in de bergen of op een andere eenzame plek. Omdat hij ze ook nog eens beschrijft in bijbels getinte taal, lijkt het alsof het ook bij hem gaat om een religieuze epifanie. Maar dat is schijn. Wordsworth put uit een heel andere bron. Zijn 'visioenen' komen voort uit een interactie tussen wat hij Nature noemt en Mind, een wisselwerking tussen de zintuiglijk waarneembare wereld en de menselijke geest, zÝjn geest. Het gaat niet om een religieuze, maar om een psychologische en filosofische openbaring. Het is altijd iets in de buitenwereld - een zonsopgang, een schaduw glijdend over een bergwand, een windvlaag door de bomen - dat resoneert met zijn binnenwereld, zijn gevoel, zijn verstand, zijn intu´tie. Het is niet een god die verschijnt, als vuur in een brandend braambos, om een boodschap mee te delen. Het is een inzicht dat doorbreekt, een onthulling van wat de dichter ervaart als een wezenlijk aspect van de werkelijkheid. Dit soort openbaringen staat in de literatuurwetenschap bekend als literaire epifanie. Het begrip werd in het begin van de vorige eeuw gemunt door de Ierse schrijver en dichter James Joyce (1882-1941). Het was Wordsworth die het honderd jaar eerder - avant la lettre - als eerste toepaste. Wat hij spots of time noemde, kreeg na hem veel navolging als literair uitdrukkingsmiddel voor een bijzondere vorm van openbaring.

Zien in het hart van de dingen
Een epifanie duurt altijd kort, maar de zintuiglijke waarneming die eraan ten grondslag ligt, heeft een krachtige uitwerking op het gevoel en drukt daardoor een onuitwisbare stempel op het geheugen. Oorspronkelijk is er uitsluitend de sterke emotie. Pas later, soms jaren later, volgt de verwer-king en krijgt dat gevoel zijn neerslag in een gedicht, waarbij de verbeelding de waarneming extra glans geeft, op een hoger plan tilt, vult met een diepere betekenis.

In zijn gedicht Tintern Abbey (1798) beschrijft Wordsworth hoe hij na vijf jaar terugkeert naar de oevers van de rivier de Wye, bij Tintern Abbey, in het zuiden van Wales, en hoe hij dan zijn eerste bezoek herleeft. 

Five years have past; five summers, with the length
Of five long winters! and again I hear
These waters, rolling from their mountain-springs
With a soft inland murmur. Once again
Do I behold these steep and lofty cliffs,
That on a wild secluded scene impress
Thoughts of more deep seclusion; and connect
The landscape with the quiet of the sky (...)  

                                                                                   Tintern Abbey, 1-8

Voor de tweede maal uitkijkend over het panorama beseft hij hoe de herinnering aan de eerste aanblik van dit rivierland-schap hem de afgelopen jaren 'in moedeloze uren, op kale kamers of in het stadsgeraas' een bron van vreugde en troost is geweest:

                                     Though absent long,
These forms of beauty have not been to me
As is a landscape to a blind man's eye;
But oft, in lonely rooms, and mid the din
Of towns and cities, I have owed to them,
In hours of weariness, sensations sweet,
Felt in the blood, and felt along the heart
And passing even into my purer mind
With tranquil restoration...                        
                                                                                   Tintern Abbey, 22-30


Maar behalve vreugde en troost bezorgde de herinnering aan de rivier Wordsworth een ander, nog waardevoller 'geschenk': een verheven stemming die de neerdrukkende last verlicht van het mysterie dat het leven is; een gevoel van harmonie en diepe vreugde dat hem het hart van de dingen
- the life of things - deed zien.

                                      Nor less, I trust,
To them I may have owed another gift,
Of aspect more sublime - that blessed mood
In which the burthen of the mystery,
In which the heavy and weary weight
Of all this unintelligible world
Is lightened; that serene and blessed mood
In which the affections gently lead us on,
Until the breath of this corporeal frame,
And even the motion of our human blood
Almost suspended, we are laid asleep
In body, and become a living soul,
While with an eye made quiet by the power
Of harmony, and the deep power of joy,
We see into the life of things.
                                                         
             Tintern Abbey, 35-48

Het mechaniek van de verbeelding

Een epifanie berust op zintuiglijke waarneming en wordt pas epifanie als de dichter deze in woorden uitdrukt. In Tintern Abbey verwerkte Wordsworth beelden, gevoelens en gedachten die vijf jaar in zijn geest hadden liggen rijpen, en die hij nu pas met behulp van zijn verbeelding een betekenisvolle vorm kon geven.

Voor Wordsworth speelt de verbeelding een cruciale rol in het poŰtisch scheppingsproces. In de Imagination vindt de vruchtbare wisselwerking plaats tussen Nature en Mind (allemaal begrippen die hij steeds met een hoofdletter schrijft). Of, beter gezegd: die wisselwerking tussen de externe en de interne werkelijkheid is de verbeelding. En daarin speelt de geest (de totale gemoedsinhoud) zelfs een grotere rol dan de externe aanleiding (de weerschijn van de sterren in spiegelglad ijs, de flikkering van zonlicht door de kale takken van een boom, het krijsen een zwarte kraai in een doodstil dal). Je zou het mechaniek van de verbeelding kunnen vergelijken met een springstof (de jarenlang sluimerende gemoedsinhoud) die wordt aangestoken met een lucifer (het externe verschijnsel, een alledaagse ervaring) waardoor een explosie (de epifanie) volgt. In de gloed van de ontbranding krijgt het gewone, alledaagse een bijzondere glans en betekenis.

Wat uiteindelijk in de epifanie gebeurt, is dat een onbewust of halfbewust complex van gevoelsmatig weten - samen te vatten als intu´tie - in een flits tot het volle bewustzijn doorbreekt. Bij Wordsworth is dat weten verbonden met het geluksgevoel van eenheid van alle levende en niet-levende materie. In Tintern Abbey schrijft hij dat de aanblik van de Wye hem vervulde van een diepe vreugde en dat hij zag into the life of things. In The Pedlar beschrijft hij in soortgelijke woorden hoe het landschap de ogen van zijn fictieve alter-ego opent en deze in alle dingen ÚÚn leven ziet: in all things he saw one life, and felt that it was joy.


naar boven

A Being of infinite benevolance and power