Far from all care I walk, but there may come another day

The Leech Gatherer - Lessen van een stoïcijn

 






 

 









































































































mirthe
blijdschap, vrolijkheid





























dejection
neerslachtigheid








even such / even as
net zo























genial faith
opgewekt vertrouwen




Of Him who walked ... along the mountain-side
De Schotse dichter-boer Robert Burns (1759-1796)










untoward
ongunstig, ongelukkig















































































































admonishment
vermaning















































demeanour
gedrag, houding
to scorn
verachten
decrepit
afgeleefd, zwak








































Resolution and Independence

Integraal, zonder toelichting




Toen William en ik terugkwamen van Jones, ontmoetten we een oude man, bijna dubbelgebogen. Hij had een overjas aan, over zijn schouders geslagen, met daaronder een vest en onderjas. Hieronder droeg hij een bundel en verder had hij een werkschort aan en een slaapmuts op. Hij had een interessant gezicht met donkere ogen en een grote neus. John, die hem later in Wytheburn tegenkwam, zei dat hij een Jood was. Zijn ouders waren Schots, maar hij was geboren in het leger. Hij was getrouwd geweest met 'een goede vrouw, en het had God behaagd ons te zegenen met tien kinderen'. Die waren allemaal dood, op één na, van wie hij jarenlang niets had gehoord, een zeeman. Hij was bloedzuigervanger [leech gatherer] van beroep, maar bloedzuigers zijn zeldzaam vandaag de dag, en hij was er niet meer sterk genoeg voor. Hij hield zich in leven door te bedelen, en was op weg naar Carlisle, waar hij een paar vrome boeken wilde kopen om die weer door te verkopen. Hij zei dat bloedzuigers zeldzaam waren, deels door het droge seizoen, maar zeldzaam zijn ze al jaren - hij denkt omdat ze zo in trek zijn en zich niet snel voortplanten en niet snel groeien. Vroeger kostten ze 2 shilling en 6 pence de honderd, nu kosten ze 30 shilling. Hij was gewond geraakt bij een ongeluk met een kar, hij had zijn been gebroken, hij was overrreden, zijn schedel gebroken. Hij had geen pijn gevoeld, die kwam pas later. Het was laat in de avond, net toen het licht verdween.              
                                                                        Vrijdag 3 oktober  1800



William had redelijk geslapen en hoewel hij gespannen en uitgeput naar bed was gegaan, stond hij monter op. Ik schreef The Leech Gatherer voor hem uit, hij was daar de avond ervoor aan begonnen, en vanmorgen in bed had hij ook enkele strofen geschreven. Het was heel heet; we klopten aan bij Meneer Simpson, maar gingen niet naar binnen. Onderweg rustten we een paar keer uit, lazen, en namen The Leech Gatherer door. We waren bijna gesmolten voordat we de top van de heuvel bereikten.
                                                                        Dinsdag 4 mei 1802


William had bij wijze van uitzondering goed geslapen, dus, omdat hij zich sterk voelde, zette hij zich aan The Leech Gatherer, hij werkte er hard aan tot lunchtijd, toen moest hij overgeven, hij was doodmoe - hij had het gedicht af.

                                                                       Vrijdag 7 mei 1802


De lucht was vandaag aanzienlijk kouder, maar de zon scheen de hele dag. William werkte van de ochtend tot theetijd vrijwel onafgebroken aan The Leech Gatherer. Ik schreef The Leech Gatherer en andere gedichten over voor Coleridge. Ik voelde me teneergeslagen en bedroefd, want hij had zich dood gewerkt.                                                                                                                                          Zondag 9 mei 1802

Kou en regen en heel donker. Ik voelde me misselijk en ziek, brieven hadden me uit mijn slaap gehouden. Ik lag tot vier uur in bed. Toen ik opstond voelde ik me nog helemaal niet lekker, maar na het eten ging het beter. William maakte nog een wandelingetje. Ik niet. We zaten samen voor het raam. Het ging verschrikkelijk regenen. Wm legde de laatste hand aan The Leech Gatherer.  
                                                                      Zondag 4 juli 1802


Bovenstaande citaten uit Dorothy's Grasmere Journals werpen licht op de ontstaansgeschiedenis van één van Williams bekendste gedichten. Die begon in de herfst van 1800, toen de Wordsworths tijdens een wandeling een oude man tegenkwamen die voorheen de kost had verdiend met het vangen van bloedzuigers. De ontmoeting ging voorlopig de la in. Twee jaar later kwam ze daaruit weer tevoorschijn. Daarna kostte het William twee maanden om er een gedicht van te maken. Het dichten ging hem nooit gemakkelijk af. Vele malen vermeldde zijn zus in haar dagboeken dat de inspanning die dat vergde, hem ziek en misselijk maakte. Zo ook deze keer, en als zo vaak leed zij weer met hem mee.

Antiheld
Dat Wordsworth een bloedzuigervanger als middelpunt van een gedicht koos, was heel bijzonder. Tot in zijn tijd hoorden dichters te dichten over verheven onderwerpen, over mannen van grote verdiensten, en niet over zo'n armzalige antiheld. In haar dagboek schreef Dorothy steeds over The Leech Gatherer. Bij publicatie kreeg het gedicht een andere titel: Resolution and Independence - Vastberaden(heid) en Onafhankelijk(heid). Wordsworth gebruikt de figuur van de bloedzuigervanger dan ook om een breder thema aan te pakken. In feite gaat het gedicht over hemzelf, over zijn dichterschap. In bredere zin is het een poëtische 'verhandeling' over angst voor de toekomst en omgang met het noodlot. Voordat hij tot de kern komt, neemt hij de ruimte voor een lange aanloop. Daarin schets hij een prachtig decor van een lentelandschap waarin na een stormachtige nacht met overvloedige regen 'kalm en helder' de zon opkomt en vogels als de holenduif, de ekster en de Vlaamse gaai weer aan hun dagelijks ritueel beginnen. Overal klinkt het geluid van water. De eerste twee strofen zijn een lofzang op de nieuwe morgen - The skye rejoices in the morning's birth -, op de hervatting van het leven, alsof ook dit begin van de dag, net als het begin van alle andere dagen, een herhaling is van de oorspronkelijke schepping.

                              I
There was a roaring in the wind all night;
The rain came heavily and fell in flouds;
But now the sun is rising calm and bright;
The birds are singing in the distant woods;
Over his own sweet voice the Stock-dove broods;
The Jay makes answer as the Magpie chatters;
And all the air is filled with pleasant noise of waters.
 
                              II
All things that love the sun are out of doors;
The sky rejoices in the morning's birth;
The grass is bright with raindrops; - on the moors
The hare is running races in her mirthe;
And with her feet she from the plashy earth
Raises a mist, that, glittering in the sun,
Runs with her all the way, wherever she doth run.

In de derde strofe introduceert de dichter zichzelf als aanschouwer van deze geboorte van een nieuwe dag. Hij vat het paradijselijke beeld van de eerste twee strofes nog eens samen. En dan zegt hij dat de harmonie van leven op de heide, waarvan hij getuige was, hem al het vergeefse en trieste menselijk streven deed vergeten.

                             III
I was a Traveller then upon the moor;
I saw the hare that raced about with joy;
I heard the woods and distant waters roar;
Or heard them not, as happy as a boy;
The pleasant season did my heart employ;
My old remembrances went from me wholly;
And all the ways of men, so vain and melancholy.

Daarop volgt een plotselinge stemmingswisseling. Juist op het moment van opperste vervoering rijst een gevoel van diepe verslagenheid. Oorzaak is de vrees dat het leven in harmonie ooit plaats zal maken voor armoede, eenzaamheid en angst.  

                             IV
But, as it sometimes chancet, from the might
Of joy in the minds that can no further go,
As high as we have mounted in delight
In our dejection do we sink as low;
To me this morning did it happen so;
And fears and fancies thick upon me came;
Dim sadness - and blind thoughts, I knew not,
                         nor could name.

                              V
I heard the sky-lark warbling in the sky;
And I bethought me of the playful hare;
Even such a happy Child of Earth am I;
Even as these blissful creatures do I fare;
Far from the world I walk, and from all care;
But there may come another day to me -
Solitude, pain of hart, distress, and poverty.

'Ver van de wereld wandel ik, en ver van alle zorgen.' De dichter leeft buiten de wereld van alleman. Door geld te verdienen en uit te geven, zou hij zijn talent verspillen en zich vervreemden van de natuur, dat wil zeggen de echte werkelijkheid. 'Getting and spending, we lay waste our powers: little we see in Nature that is ours', zoals hij zegt in een ander, titelloos gedicht dat begint met de zin 'The world is too much with us'. Maar nu overviel hem het besef dat niemand de zorg voor eigen welzijn kan toevertrouwen aan een ander. Je moet het heft in eigen handen, dat geldt ook voor de dichter. Zijn schrikbeeld was Thomas Chatterton, zo staat in strofe VII. Deze veelbelovende schrijver-dichter maakte op zijn achttiende een eind aan zijn leven. En ook Robert Burns, de Schotse dichter-boer ('following his plough on the mountain-side') die hij zeer bewonderde, overleed op jonge leeftijd (37 jaar). De dichter die te hoog vliegt, gaat uiteindelijk ten onder aan wanhoop en waanzin.

                               VI
My whole life I have lived in pleasant thought,
As if life's business were a summer mood;
As if all needful things would come unsought
To genial faith, still rich in genial good;
But how can He expect that others should
Build for him, sow for him, and at his call
Love him, who for himself will take no heed at all?

                              VII
I thought of Chatterton, the marvellous boy,
The sleepless Soul that perished in his pride;
Of Him who walked in glory and in joy
Following his plough along the mountain-side:
By our own spirits we are deified;
But thereof come in the end despondency and madness.

Overmand door deze sombere gedachten ziet de dichter onverwacht de gedaante van een stokoude man die naast een poel staat, 'bare to the eye of heaven' - scherp afgetekend tegen de heldere hemel. 

                              VIII
Now, whether it were by peculiar grace,
A leading from above, a something given,
Yet it befel that, in this lonely place,
When I with these untoward thoughts had striven,
Beside a pool bare to the eye of heaven
I saw a Man before me unawares:
The oldest man he seemd that ever wore grey hairs.

De gestalte van de grijsaard oogt als een enorme steen die op een kale verhoging rust, en tegelijk als een beest dat uit zee gekropen is en ligt te zonnen op een rots.  

                                IX
As a huge stone is sometimes seen to lie
Couched on the bald top of an eminence;
Wonder to all who do the same espy,
By what means it could thither come, and whence;
So that it seems a thing endued with sense:
Like a sea-beast crawled forth, that on a shelf
Of rock or sand reposeth, there to sun itself;

                                 X
Such seemed this Man, not all alive nor dead,
Nor all asleep - in his extreme old age:
His body was bent double, feet and head
Coming together in life's pilgrimage;
As if some dire constraint of pain, or rage
Of sickness felt by him in times long past,
A more than human weight upon his frame had cast.

Ondertussen zien we als lezers van dit gedicht dat Wordsworth de bloedzuigervanger uit het dagboek van Dorothy helemaal naar zijn eigen hand zet. Hij verzwijgt dat de oude man die ze hadden ontmoet, zijn beroep niet meer uitoefende. Ook vermeldt hij niets over diens afkomst en levensgeschiedenis, terwijl zijn zus die tot in detail beschrijft. En ze waren de oude man ergens dichtbij huis tegengekomen, William situeert hem in de woestenij, bij een poel. Door hem te vergelijken met een grote steen en een zeedier op het droge - en in de strofe hierna met een bewegingloze wolk -, suggereert hij dat de kromgebogen grijsaard één is met zijn natuurlijke omgeving. Hij boetseert de man tot een natuurverschijnsel en geeft zijn gestalte mythische proporties.    

                                XI
Himself he propped, limbs, body, and pale face,
Upon a long grey staff of shaven wood:
And, still as I drew near with genle pace,
Upon the margin of that moorish flood
Motionless as a cloud the old Man stood,
That heareth not the loud winds when they call;
And moveth all together, if it move at all.

                               XII
At length, himself unsettling, he the pond
Stirred with his staff, and fixedly did look
Upon the muddy water, which he conned,
As if he had been reading in a book:
And now a stranger's privilege I took;
And, drawing to his side, to him did say,
'This morning gives us promise of a glorious day.'

De dichter is nieuwsgierig naar de herkomst van het 'zeebeest' bij de poel en vraagt de man wat hij daar doet. De bloedzuigervanger kijkt hem eerst lichtelijk verrast met zijn grijze ogen aan. Wordsworth gebruikt het woord 'orb', dat niet alleen 'oog' betekend, maar ook 'hemellichaam'. Als de man dan antwoord geeft, spreekt hij de plechtstatige taal van een predikant.

                              XIII
A gentle answer did the old Man make,
In courteous speech which forth he slowly drew;
And him with further words I thus bespake,
'What occupation do you here pursue?
This is a lonesome place for one like you'.
Ere he replied, a flash of mild surprise
Broke from the sable orbs of his yet-vivid eyes.

                              XIV
His words came feebly, from a feeble chest,
But each in solemn order followed each,
With something of a lofty utterance drest -
Choice word and measured phrase, above the reach
Of ordinary men; a stately speech;
Such as grave Livers do in Scotland use,
Religious men, who give to God and men their dues.

                               XV
He told, that to these waters he had come
To gather leeches, being old an poor:
Empoyment hazardous and wearisome!
And he had many hardships to endure:
From pond to pond he roamed, from moor to moor;
Housing, with God's good help, by choice or chance;
And in this way he gained an honest maintenance.

Terwijl Wordsworth luistert, vervaagt de gestalte van de oude man tot een droombeeld. Zijn stem vermengt zich met het geluid van het overal stromende water, wordt één met de 'pleasant noise of waters' waarvan de lucht is vervuld. Tegelijk lijkt hij afkomstig uit een andere wereld, een door God of het lot gezonden boodschapper die de dichter een wijze les komt lezen; een ziener of profeet die in de modder van een poel, 'als in een boek', de waarheid leest. Op dit punt aangekomen, heeft de kromgebogen grijsaard nog maar weinig te maken met de bloedzuigervanger uit Dorothy's dagboek. Deze laatste blijkt slechts het vertrekpunt te zijn voor een als het ware gedroomde verpersoonlijking van een fundamenteel inzicht.     

                              XVI
The old Man stood talking by my side;
But now his voice to me was like a stream
Scarce heard; nor word from word could I divide;
And the whole body of the Man did seem
Like one whom I had met with in a dream;
Or like a man from some far region sent,
To give me human strength, by apt admonishment.

Opnieuw moet de dichter denken aan de ontberingen die hem bedreigen, en welt de angst weer in hem op. En opnieuw vraagt hij de oude man hoe hij aan de kost komt.

                             XVII
My former thoughts returned: the fear that kills;
And hope that is unwilling to be fed;
Cold, pain, and labour, and all fleshly ills;
And mighty Poets in their misery dead.
- Perplexed, and longing to be comforted,
My question eagerly did I renew,
'How is it that you live, and what is it you do?'

                             XVIII
He with a smile did then his words repeat;
And said that, gathering leeches, far and wide
He travelled; stirring thus about his feet
The waters of the pools where they abide.
'Once I could meet with them on every side;
But they have dwindled long by slow decay;
Yet still I persevere, and find them where I may.'

Bloedzuigers zijn tegenwoordig schaars, zegt de oude man. Desondanks geeft hij niet op en weet hij ze toch te vinden. Eerst stelt deze vastberadenheid van de bloedzuigervanger de dichter niet gerust. Maar dan herneemt de oude man het woord. Wat hij zegt, vertelt de dichter niet, maar hij spreekt waardig, vriendelijk en opgewekt. Hij lijdt een zwaar leven, torst een onmenselijke last - 'a more than human weight' staat in de tiende strofe -, maar hij geeft niet op. De dichter schaamt zich nu voor zijn eigen zwaarmoedigheid en besluit het voorbeeld van deze oude man te volgen. Gezien het voorafgaande betekent dat vastberaden zijn en onafhankelijk, wat ook mag gebeuren, 'onbewogen als een wolk die niet de winden hoort als zij roepen' (strofe 11).

                              XIX
While he was talking thus, the lonely place,
The old Man's shape, and speech - all troubled me:
In my mind's eye I seemed to see him pace
About the weary moors continually,
Wandering about alone and silently.
While I these thoughts within myself pursued,
He, having made a pause, the same discourse renewed.

                              XX
And soon with this he other matter blended,
Cheerfully uttered, with demeanour kind,
But stately in the main; and, when he ended,
I could have laughed myself to scorn to find
In that decrepit Man so firm a mind.
'God,' said I, 'be my help and stay secure;
I'll think of the leech-gatherer on the moor!'

Onzekere toekomst
In de periode waarin Wordsworth aan Resolution and Independence werkte, maakte hij zich ernstig ongerust over zijn financiële en creatieve toekomst. Zijn voorgenomen huwelijk met Mary Hutchinson, gepland voor een half jaar later, bracht nieuwe verantwoordelijkheden met zich mee, zoals de zorg voor een fatsoenlijk inkomen. Bovendien had hij zich voorgenomen om, in de aanloop naar dat huwelijk, een defintieve financiële regeling treffen met Anette Vallon. Tien jaar eerder had hij met deze vrouw, tijdens een verblijf in Frankrijk, een liefdesrelatie gehad waaruit een dochter was voorgekomen. Naast al deze praktische zorgen, knaagde aan Wordsworth ook nog het gevoel dat zijn creativiteit aan kracht had ingeboet. Het 'hemelse licht' dat voor hem altijd over de dingen had geschenen, leek voor goed verdwenen. De dingen die hij ooit zag, ziet hij nu niet meer, zo staat te lezen in een ander gedicht uit dezelfde tijd. Vertwijfeld stelt hij zich daarin de vraag

Wither is fled the visionary gleam?
Where is it now, the glory and the dream?

Welbespraakte wijze
Geplaagd door alle zorgen over de toekomst moet Wordsworth hebben teruggedacht aan de bloedzuigervanger die hij en zijn zus twee jaar eerder hadden ontmoet. In de oude man, een toonbeeld van armoede, kon hij gemakkelijk zijn onzekerheden spiegelen. Die identificatie drukt hij ondermeer uit door zichzelf te beschrijven als 'een reiziger op de heide'' (strofe III), terwijl hij van de grijsaard zegt dat hij zwerft 'van hei naar hei' (strofe XV). Dichter en bloedzuigervanger hebben ook gemeen dat hun beroep een zware wissel trekt op de gezondheid. De een staat immers, weer of geen weer, in zompig water terwijl bloedzuigers zich tegoed doen aan zijn bloed. Voor de ander is elk gedicht een zware bevalling die gepaard gaat met hoofdpijnen en oververmoeidheid.

De identificatie van de dichter met de oude man spreekt ook uit de geleidelijke gedaanteverwisseling van de laatste.
Die verandert, gaande het gedicht, van een fossiel, zwijgzaam half-dier in een welbespraakte wijze die als een geletterd man zijn woorden kiest. En zoals de dichter in een wereld van taal en boeken leeft, zo speurt de bloedzuigervanger het water van modderpoelen af 'alsof hij in een boek leest'. In Wordsworth's dichterlijke verbeelding transformeert de sloeber die gebukt gaat 'onder een onmenselijke last' in een ziener die het leven - hoe zwaar ook - neemt zoals het is. In houding en gedrag verpersoonlijkt de oude man een levenshouding van aanvaarding en gelijkmoedigheid.


Bloedzuigers vangen : 'eene jammerlijke kostwinning'

Het Nederlansch Magazijn ter verspreiding van kundige nuttigheden (tussen 1834 en 1870 een veel gelezen populair-wetenschappelijk magazine), publiceerde in 1839 een gedetaillerdebeschrijving van de vangst en het medisch gebruik van bloedzuigers, inclusief de grootscheepse handel in deze diertjes. Enkele citaten: 
  • Het gebruik van de bloedzuigers in de geneeskunde is zeer oud; doch eerst sedert het einde van de voorgaande eeuw wederom meer algemeen geworden. De daardoor veroorzaakte bloedontlasting verschilt van eene aderlating voornamelijk daarin, dat eene geringe hoeveelheid bloed uit de fijne bloedvaten der huid, en op plaatsen, alwaar op geen andere wijze eene bloedontlasting mogelijk is, kan worden afgetapt, om welke reden zij bij eene plaatselijke ontsteking in het bloed of in de vochten van veel nut kan zijn.

  • Wanneer men de eenzame streek doortrekt, dan ontmoet men hier en daar slechts een erbarmelijk bleek man, met wild rondvliegende haren en ongekamde baard. Eene donkere slaapmuts bedekt de kruin en het voorhoofd tot aan de wenkbraauwen, en een grof stuk kleed het schamele lijf en de lendenen.

  • Ziet men zoodanigen mensch somtijds tot aan de heupen in het water loopen, vervolgens het eene been voor het andere na opligten, en met opmerkzaamheid aan alle plaatsen beschouwen, betasten, en dan wederom bedaard voortstappen, - dan zeker is het niet te verwonderen, dat men eenen waanzinnige denkt voor zicht te zien, die aan zijn oppassers ontsnapt, is, en hier ongestoord verwarde beelden van zijn gekrenkt verstandsvermogen najaagt. Nogtans is deze man noch krankzinning, noch ziek , maar een gewone bloedzuigervanger. Wanneer hij zijnen buit in deszelfs verborgene schuiplaars achter waterplanten, in bies, of onder het glibberig gesteente en mos heeft opgesporod, dan geeft hij zonder vrees zijne beenen aan de bloedzuigers prijs, die zich in groote menigte aanzuigen. Deze gewoonte heeft den man zoo ongevoelig gemaakt, dat hij de scherpste beten nauwelijks gewaar wordt, en zich dus door het gezigt van hunne tegenwoordigheid moet overtuigen. Herhaalde malen ziet met hem dan aan de oever gaan, en na eenige herhaalde togten met van bloed druipende beenen zijn vangst naar huis brengen.

  • Op welke wijze echter ook de jagt gedreven wordt, zoo blijft dezelve steeds eene jammerlijke kostwinning; want de visscher is halve dagen achtereen op, in en onder water; de lucht, die hij inademt is steeds met schadelijkste dampen van de moerassen en de vergiftigendste en stinkendste uitwasemingern vervult, waardoor natuurlijk de gezondheid op het ellendigst wordt ondermijnd, en waarvan het hoesten, de koorts, uitslag, rheumatismus en jicht de onvermijdelijke gevolgen zijn,. Ongelukkig trachten vele de verpestende lucht door het onmatig gebruik van sterken drank tegen te werken, en verkorten zoo doende hunnen ellendige dagen nog op eene betreurenswaardige wijze, daar hierdoor zelfs het sterkste gestel te jammelijk gesloopt wordt.

  • De bloedzuigervisscher aan het Neusiedlermeer in Hongarije rekent zich ten hoogste gelukkig, wanneer hij in den loop van eenen geheelen dag, en waarlijk wel ten koste van zijnen eigen bloed en zweet, zoo veel honderd egels [bloedzuigers] vangen kan, dat hij met zijn gezin een karig maal geniet, terwijl de rijke speculant in Londen zich het dier met eene guinje laat betalen. In der daad zijn de bloedzuigers in tijden van gebrek in Engeland zeer duur verkocht geworden.

  • In Londen is het verbruik zoo groot, dat vier leveranciers ieder maandelijks 150,000 uit Hamburg en Stettin trekken, hetwelk dus jaarlijks een aantal van 7,200, 000 stuks opleverde. Tot omstreeks het midden van October waren in het jaar 1823 uit Hamburg alleen 3,500,000 bloedzuigers naar Engeland en Amerika verzonden, en in het jaar 1824 had een enkele voerman eenen last van 5 miljoen stuks alleen voor Engeland.
 Bron: https://bit.ly/2Iqv7Rg




 
naar boven
<<<